Opel heeft besloten om stil te staan bij de 50ste verjaardag van haar Commodore. Het model is al 35 jaar uit productie, maar elk podium om de nieuwe Insignia te promoten is blijkbaar welkom. Is dat de spirituele opvolger van de Commodore? Alles behalve, Opel, alles behalve. En dat weet jij zelf ook wel. Sterker nog: de 50 jaar oude Commodore staat symbool voor hoe krachtig het Duitse merk 50 jaar geleden was, en voor hoe weinig daar nu nog van over is.

Flashback naar 1967. Opel is langzaam maar zeker zijn imago van producent van boerse auto’s met de wegligging van een dweil van zich af aan het schudden. De 1966 geïntroduceerde Rekord C was ten opzichte van zijn voorganger een verademing, de B-Kadett vormde een steeds grotere verkoopbedreiging voor de Volkswagen Kever en in 1967 zou ook de conceptversie van de iconische GT worden voorgesteld.

Met de Commodore bewees Opel opnieuw haar slagkracht. In 1964 was het merk verrast door de Ford 20M met V6 motor. De toenmalige Rekord (met ondermaatse spoorbreedte en vooroorlogse Kapitän motor) was daar geen partij voor. Maar in 1967 had Opel wel een goed antwoord klaar. Sterker nog: Ford werd zelfs in het defensief gedrukt omdat dit merk de bladveren achter nog niet van zich had afgeschud en omdat de styling van de jongste 17M/20M sterk bekritiseerd werd.

Ford kwam in 1968 met een haastige facelift voor haar zogeheten P7, maar de Commodore klopte direct als een bus. De welvaart nam in de jaren zestig snel toe, met als gevolg dat ook het aantal jonge carrièremakers steeg. Die hadden geen zin in een Kapitän, maar konden wel verleid worden met de Commodore. Zeker als coupé was het toenmalige model een plaatje, maar ook als zakensedan maakte het model indruk. Audi had zijn ‘100’ nog niet klaar, BMW moest de 2500/2800 nog introduceren dus de positie van Opel was afgezien van het gestaag aan slagkracht winnende Mercedes nog tamelijk onbedreigd.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Opel van de eerste generatie Commodore in krap 5 jaar tijd 156.330 exemplaren wist te verkopen. Indrukwekkend. Maar anders dan bij veel andere Duitse auto’s die na elke generatiewisseling beter lijken te worden, had de Commodore zijn beste tijd toen al gehad. De tweede editie was zondermeer elegant, maar technisch stond het model stil. En dat betekent in de praktijk achteruitgang, want Ford liet bij de overstap naar de Consul/Granada de starre achteras voor wat die was en omarmde onafhankelijke achterwielophanging. Dit betekende een superieur veercomfort, waardoor de Commodore als zakensedan minder wist te overtuigen. Ook omdat BMW in hetzelfde jaar (1972) de 5-serie introduceerde. Maar toch: als coupé en vooral als GS of GS/E was de Commodore een aantrekkelijke auto met een topsnelheid (daar ging het toen nog om) van dichtbij of zelfs boven de 200 km/u.

De Commodore moest het als 2e generatie dus vooral hebben van zijn sportieve uitvoeringen. Het was dan ook een enorme blunder dat die nooit een serieus te nemen opvolger hebben gekregen. Ten eerste was in 1977, bij de introductie van de nieuwe Rekord, de Commodore C nog niet klaar. Pas het jaar daarop zou duidelijk worden waarom: Opel zette zijn kaarten in op de Senator. Mét onafhankelijke achterwielvering, dat wel, maar te statig om een effectieve vervanger voor de Commodore GS(/E) te kunnen zijn. En vanwege zijn Rekord dashboard ook geen volwaardig alternatief voor de BMW 7-serie of Mercedes S klasse. Opel introduceerde weliswaar ook de Monza, maar zijn derde deur (waarmee je zo makkelijk boodschappen kon inladen) was niet iets waar mannen met figuurlijk borsthaar naar op zoek waren.

In 1979, feitelijk 2 jaar te laat dus, kwam er alsnog een nieuwe Commodore. Dat was een grote deceptie want feitelijk niks anders dan een Rekord (inclusief diens starre achteras) met Senator neuspartij. Totaal uit proportie dus. Die grote gok was nodig om de 6 cilinder lijn motor te kunnen huisvesten; een krachtbron waar je in 1967 prima mee voor de dag kon komen en waarvan de latere 2,8 liter (injectie)versies ook indruk maakten. Maar de Commodore anno 1979 was er alleen met het oude 115 pk 2,5 liter carburatie blok. Veel drinken, weinig presteren,, daar kwam het bij deze motor op neer. Volkomen foute boel ten tijde van de 2e energiecrisis. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de 3de generatie Commodore het maar 3 jaar heeft volgehouden. Als je zelf technisch stil blijft staan, dan word je ingehaald door de tijd. Audi had definitief een plaats op het premiumpodium veroverd ten koste van Opel, waarbij de andere plaatsen natuurlijk voor BMW en Mercedes waren. De General Motors dochter had daar niks meer te zoeken, al zou je in de in 1983 geïntroduceerde Monza GSE wél een waardige opvolger van de 2,8 liter coupémodellen van de eerste 2 generaties Commodore kunnen zien. Maar die kwam dus 6 jaar te laat. De fan van snelle Duitse auto’s reed toen al lang in een model van de concurrentie.

De Commodore symboliseert als geen ander de vergane glorie bij Opel. Van de tweede generatie Senator verscheen er geen coupé (Monza) variant meer. Dit model groef met zijn laagwaardige interieur en computergame-achtige instrumentarium trouwens zijn eigen graf. Die opvolger, de MV6 versie van de tweede generatie Omega, bleek tijdens een duurtest van Auto, Motor und Sport een beruchte maandagochtendauto te zijn. Daarmee was zijn lot ook bezegeld. Opel trok zich vervolgens terug uit het zogeheten E segment. En dan zou de Insignia nu in één adem genoemd kunnen worden met de Commodore? Tss.
