De productie van elektrische Mini’s in de fabriek in Oxford is door de BMW Groep voor onbepaalde tijd uitgesteld. Reden is de wereldwijd tegenvallende vraag naar elektrische auto’s. Vorig jaar nam die in de Europese Unie met 5,9 procent af.
Het besluit is inmiddels bevestigd door een woordvoerder van de BMW Groep: “Gezien de vele onzekerheden waarmee de auto-industrie te maken heeft, bekijkt de BMW Groep momenteel de timing voor het herintroduceren van de batterij-elektrische Mini-productie in Oxford”. De woordvoerder voegde eraan toe dat dit betekent dat er geen gebruik zal worden gemaakt van overheidssubsidie (een onbekend bedrag) die beschikbaar was voor investeringen in de fabriek.
Het Duitse bedrijf kondigde september 2023 aan dat de bouw van de elektrische Mini modellen Cooper en Aceman in 2026 grotendeels van China naar Oxford zou verhuizen. Alleen de exemplaren die bestemd zijn voor eigen consumptie zouden dan nog lokaal gebouwd worden. De koerswijziging heeft zoals gezegd te maken met de tegenvallende vraag naar elektrische auto’s. Vorig jaar stagneerde de verkoop van dit soort modellen in Europa, waarbij hun marktaandeel lichtjes daalde van 15,7 procent (2023) tot 15,4 procent.
De BMW Groep schrijft de inzinking van de vraag toe aan het intrekken door de overheid van subsidieregelingen en het feit dat elektrische auto’s relatief duur zijn. Maar het bedrijf moet ook de hand in eigen boezem steken: de Aceman is heel lauwtjes ontvangen en behaald tot nu toe testresultaten die onder het gebruikelijke niveau van Mini liggen. Het is dan niet fair om de klant kwalijk te nemen dat hij dit model niet koopt. Door de inzinking van de vraag, zagen benzinemodellen hun verkoopaandeel stijgen van 47,9 naar 48,4 procent. Hybride versies waren vorig jaar goed voor 11,8 procent van de verkopen. In 2023 was dat nog 9,9 procent.
Er is al afgerond 700 miljoen euro uitgegeven aan het gereedmaken van de fabriek in Oxford en de nabijgelegen carrosserieperserij in Swindon-voor de productie van elektrische auto’s. Dat geld is voornamelijk gebruikt voor de uitbreiding van de fabriek, de aanschaf plus installatie van apparatuur waarmee batterijen in auto’s gemonteerd kunnen worden en nieuwe extra logistieke faciliteiten. In de fabriek in Oxford bouwt momenteel de benzineversies van de Cooper en de Cabriolet.
Ook andere autofabrikanten hebben last van de tegenvallende vraag naar elektrische auto’s en zijn in dit kader eveneens teruggekomen van eerdere voornemens. Audi en Mercedes-Benz houden bepaalde modellen met een benzinemotor langer dan gepland in productie. Voor Mini betekent dit de door de Europese Unie opgelegde extra importheffing van 20,8 procent niet omzeild kan worden. De elektrische Cooper en de Aceman blijven immers in China het levenslicht zien. Blijkbaar is dat tóch goedkoper dan in Oxford een extra assemblagelijn optuigen.
Mini heeft in Oxford ongeveer 4.000 werknemers in dienst en produceert auto’s voor markten over de hele wereld. Het dochtermerk van BMW bouwt momenteel 2 versies van de nieuwe Cooper. Het plan was om in 2030 te stoppen met de productie van auto’s met een benzine motor om dan volledig over te schakelen op de bouw van elektrische voertuigen. Dat voornemen lijkt nu op losse schroeven te staan. Mini had als doelstelling om tussen 2026 en 2030 haar output te verhogen naar 400.000 auto’s per jaar, evenredig verdeeld tussen de benzine- en de elektrische types.
De fabriek begon in 2000 met de productie van de eerste Mini van de BMW Groep en startte 19 jaar later met de bouw van een elektrische versie van de vorige generatie hatchback. Op het hoogtepunt (vorig jaar) was dat model goed voor een kwart van de output van de fabriek. Daarmee werd Mini de grootste producent van elektrische voertuigen in het Verenigd Koninkrijk.
Het is overigens niet zo dat er geen enkel elektrisch model van Mini in Europa van de band rolt: de Countryman E en SE worden in Leipzig geassembleerd in een fabriek van BMW. Daar rolt de SUV van dezelfde lopende band als de 1-serie en 2-serie modellen van BMW.
