Het ligt voor de hand om enthousiast te zijn over supersportwagens die zijn uitgerust met ultra-verfijnde mechanica. Een Ferrari of een Lamborghini met een V12-motor bijvoorbeeld. Het ontwerpen van kleine, goedkope auto’s, die zonder problemen en onder zware omstandigheden moeten kunnen functioneren, vereist echter veel meer intelligentie. Als zij dan veel minder vaak een standbeeld krijgen, is dat behoorlijk oneerlijk.
Een goed voorbeeld hiervan is de kleine motor die ontworpen werd door Fiat en die begin 1985 debuteerde in de Autobianchi Y10: de FIRE unit. Deze krachtbron, genoemd naar een acroniem dat ‘Fully Integrated Robotized Engine’ betekent, had als missie het vervangen van de kleine 4 cilindermotor die in 1955 in de Fiat 600 werd onthuld en die decennialang, met van aanpassingen en in diverse formaten, gebruikt werd voor alle low-end modellen van de Italiaanse autofabrikant.

In 1980 werd begonnen met het ontwerp van de FIRE. Peugeot, aanvankelijk gecontacteerd om deel te nemen aan de ontwikkeling, trok zich snel terug uit het project om zich te concentreren op haar toekomstige TU motoren. De FIRE was duidelijk moderner dan de oude 903 cc unit die hij zou gaan vervangen; een erfgenaam van het 633 cc blok van de Fiat 600. De omschrijving ‘revolutionair’ was op het eerste gezicht niet op zijn plaats. Hij had een door een riem aangedreven bovenliggende nokkenas en dat was niet uitzonderlijk. Hetzelfde gold voor de combinatie van een aluminium cilinderkop en een blok van gietijzer. Maar de FIRE zou, hoewel hij er zeer eenvoudig uitziet, profiteren van ultramoderne productietechnieken waardoor hij snel kon worden geproduceerd met conventionele materialen.
De volledig gelegeerde X-motor van Française de Mécanique, die veel Peugeot, Citroën, Talbot en zelfs de Renault 14 aandreef, leek geavanceerder. Maar schijn bedriegt. Omdat de Italiaanse motor afkomstig is uit een van de meest geavanceerde fabrieken ter wereld, Termoli 3, was FIRE ontworpen met een zeldzame intelligentie.
De montage kon eenvoudig en snel verlopen: er waren slechts 273 onderdelen vergeleken met 368 componenten voor de uitgaande 903 cc unit. De productietijd bedroeg 107,5 minuten vergeleken met 231,5 minuten van de oude Fiat motor. Dankzij de extreme precisie van de bewerking kon worden volstaan met eenvoudige materialen zoals gietijzer, dat als nooit tevoren werd geoptimaliseerd. Hierdoor was het mogelijk om de wanden van het blok dunner te maken zonder dat dit ten koste zou gaan van de stevigheid, met als resultaat een relatief lichte motor: de FIRE woog 69 kilo vergeleken met 78 kilo voor de 903 cc unit. Bovendien waren alle onderdelen waaruit de FIRE bestond, zeer zorgvuldig op elkaar afgestemd, zoals een racemotortuner in zijn werkplaats zou doen. Met als verscjol dat het productieproces sterk geautomatiseerd was. Tenslotte was het blok ontworpen voor een foutloze montage. Anders dan de latere TwinAir krachtbron van Fiat, bouwde de FIRE zo direct een uitstekende betrouwbaarheidsreputatie op. Zelfs als de distributie riem zou breken, bleef de motor intact omdat bij het ontwerp van de kleppen en de zuigers rekening gehouden was met dit scenario.

Eind 1985 zou de Uno 45 de eerste Fiat zijn die werd uitgerust met de FIRE. Vanaf de eerste tests was de pers verbaasd over de capaciteiten van deze motor, die veel meer koppel (+15 procent) bood dan zijn rivalen. Verder was de FIRE opvallend flexibel, trillingvrij, efficiënt en zeer zuinig. Kortom, deze goedkope motor beschikte over een scala aan kwaliteiten, terwijl hij ook nog eens een opmerkelijk uithoudingsvermogen bleek te hebben, zelfs met minimaal onderhoud. Wat kun je nog meer verlangen? Het was een perfecte motor, en het zijn de goedkoopste auto’s van het Fiat concern die ervan profiteerden.
De FIRE werd voor het eerst onthuld in 999 cc / 45 pk vorm in de Y10. Met dezelfde specificaties kwam hij eind 1985 beschikbaar voor de Fiat Uno 45 en vervolgens in 1986 voor de Panda (die ook een versie van 769 cc kreeg). Eind 1989, tijdens de restyling van de Uno, verscheen een variant van 1.108 cc, terwijl in 1993 de Punto een evolutie naar 1.242 cc introduceerde. De werd gecombineerd met cilinderkoppen met 8, 12 of 16 kleppen, goed voor maximaal 86 pk. Met de tweede generatie Punto uit 2003 klom de longinhoud van de FIRE naar 1.368 cc, waarbij het vermogen naar 95 pk steeg, terwijl de motor in de Grande Punto in 2007 werd uitgerust met een turbo die de cavalerie op 120 pk bracht, en in de Bravo zelfs op 150 pk. Het is deze supercharged T-Jet evolutie die de Abarth 500, rebadged als 595 en 695, zou gaan animeren. Daarvan waren Competizione versies tot 190 pk beschikbaar . Het is ook de FIRE die in 2009 de eer had om de MultiAir motormanagement aansturing in te huldigen in de Alfa Romeo Mito. Een ongelooflijke evolutie sinds 1985!

De laatste Abarth 695’s uitgerust met dit uitzonderlijke motortje zijn onlangs verkocht: de FIRE heeft het commercieel 39 jaar volgehouden, wat een enorme tijd lijkt. Maar in feite is dit een vrij gebruikelijke duur in de branche: denk bijvoorbeeld aan de Cléon motor van Renault waar klanten ruim 30 jaar plezier van hadden. Of de krachtbron van de originele Kadett uit 1962 die tot ver in de jaren-90 nog in de Corsa werd gemonteerd. Al met al zijn er van de FIRE meer dan 23 miljoen exemplaren geproduceerd. Hij werd in 2022 vervangen door de Firefly motor, die beschikbaar kwam in 1,0 liter (3 cilinders) en 1,3 liter (4 cilinders) vorm.
