De Jaguar Type 00 is de conceptstudie die dit jaar met afstand het meeste stof deed opwaaien. Niet alleen vanwege het futuristische, maar tegelijkertijd controversiële design (niet alleen vanwege het ontbreken van een achterruit), maar ook omdat het beroemde automerk radicaal met zijn verleden lijkt te willen breken.
Toch deed landgenoot Lotus 50 jaar geleden hetzelfde toen zij de Elite presenteerde. Ook dat was een (voor toenmalige begrippen) futuristisch vormgegeven sportwagen waarmee de fabrikant een andere, veel welvarendere klantengroep binnen wilde halen. Lotus wilde in 1974 dus óók breken met haar verleden. De overeenkomsten in de motivatie om dit te doen, zijn eveneens frappant.
Wellicht is het verhaal over Jaguar bij jou bekend: het automerk is al jaren de problematische wederhelft van Land Rover. Met de I-Pace hadden de Britten weliswaar nog de Auto van het Jaar verkiezing gewonnen, maar klanten hadden al vrij snel na de levering van hun exemplaar van deze elektrische cross-over het gevoel een kat in de zak gekocht te hebben. De actieradius bleek in de praktijk lang niet zo groot te zijn als Jaguar in de folder beloofde. Daarnaast bleek de elektrische aandrijftechniek bijzonder storingsgevoelig en als klap op de vuurpijl kon de I-Pace snel in brand vliegen. Jaguar had op het gebied van betrouwbaarheid sowieso geen al te beste reputatie. Het merk eindigde steevast onderaan in onderzoeken naar de tevredenheid van klanten. Vanuit deze optiek was het verstandig dat de productie eerder dit jaar volledig is stopgezet. Ook bij de verkoop op de thuismarkt is op de pauzeknop gedrukt (wij kunnen nog een uit voorraad leverbare versie van de F-Pace bestellen). Jaguar gaat de komende tijd gebruiken om zichzelf opnieuw uit te vinden; een sessie waarbij de Type 00 conceptstudie centraal staat. Dit model moet in 2026 (met een iets langere wielbasis en een set achterportieren) in de showroom staan.

Lotus had lange tijd ook geen al te beste reputatie op het gebied van betrouwbaarheid. Over de merknaam werd niet voor niets gekscherend gezegd dat dit een lettercombinatie oftewel een afkorting was van: ‘Lots Of Trouble Usually Serious’. In de jaren zestig was het voor klanten op de thuismarkt fiscaal aantrekkelijk om een (sport)auto als bouwpakket aan te schaffen en vervolgens het model zelf in elkaar te zetten. Daardoor werden eventuele mankementen Lotus, die veel orders op deze manier afwikkelde, niet zwaar aangerekend. Maar dat veranderde in 1966 met de Europa: een sportwagen die (de naam geeft het al aan) niet primair voor de thuismarkt bestemd was, maar voor (het vaste land van) het oude continent. Daar kon alleen zaken worden gedaan met auto’s die helemaal af waren. En dat was de Europa vanuit kwalitatief oogpunt beslist niet/ Ook de prijzige Elan+2 bleek de toets der kritiek op kwaliteitsvlak niet goed te kunnen doorstaan. Het gevolg was dat Lotus veel geld kwijt was aan garantieclaims en nauwelijks winst maakte. En begin jaren zeventig kwam er ook een eind aan de fiscaal-vriendelijke behandeling van zogeheten kit cars. Colin Chapman, oprichter en directeur-eigenaar van het bedrijf, zag dat het roer om moest. De Elan+2 kon zijn leeftijd niet langer maskeren en de Europa was, ondanks dat de meeste kinderziektes medio 1971 wel verdwenen waren, geen partij voor de Ford Capri 3000 GT of de Reliant Scimitar GTE (dezelfde motor als de Capri, maar zijn meerprijs volgens onder andere prinses Anne zondermeer waard vanwege zijn veel stijlvollere uitstraling). Chapman wilde het met Lotus hogerop gaan zoeken en in het prijs gat springen dat Jaguar met het saneren van de 6 cilinder versie van de E-Type had achtergelaten.

De motivatie van Lotus was in 1974 dus identiek aan die van Jaguar dit jaar: weg uit het prijssegment waar geen droog brood te verdienen viel en op zoek gaan naar autoconsumenten die meer te besteden hebben en waaraan dus meer geld verdiend kan worden. Beide merken willen dat in eerste instantie gaan doen met een 4-persoons sportwagen. Bij Jaguar wordt dat de Type 01, zoals gezegd een 4-deurs versie van de Type, en bij Lotus was dat de Elite.

Helaas belandde Lotus met de Elite van de regen in de drup. Het design lag bij menig fan van klassieke Britse sportwagens erg zwaar op de maag (net zoals nu bij de Type 00 (uit te spreken als “type-zero-zero”) conceptstudie het geval is) en er waren ook twijfels over de aandrijflijn. De Elite was namelijk de duurste auto met een 4 cilinder motor. Weliswaar een blok met 16 kleppen en daardoor erg efficiënt, maar de rauwheid van de krachtbron stuitte menig potentiële klant, die het romige geluid van 6 cilinder blokken of de roffel van V8 machines gewend was, tegen de borst. Daar kwam bij dat de Elite bepaald niet kinderziektevrij was. Zo kampte het differentieel met een chronische ontwerpfout en bleek het onderstel (dat niet gegalvaniseerde was) al in de folder te roesten. Nee, de Elite werd geen succes, en de minder extreem vormgegeven Eclat (want te veel op de toenmalige, tweede generatie Ford Escort lijkende) evenmin. Pas met de Esprit hervond Lotus iets van zijn magische karakter, maar toen was de kas eigenlijk al leeg en was Chapman moegestreden (hij overleed in 1982).

Jaguar belooft straks met de Type 01 een veel beter kwaliteitsniveau te leveren, maar daarvoor geldt: eerst zien, dan geloven. Feit is dat de modellen van zustermerk Land Rover zich qua betrouwbaarheid nog steeds niet kunnen meten met Audi, BMW en Mercedes, laat staan met Lexus. Daarnaast zal Jaguar zeker potentiële klanten verspelen door haar fixatie op een volledig elektrische aandrijflijn. Consumenten die in de markt zijn voor een model uit het topsegment, geven via hun koopgedrag al geruime tijd aan een auto met een verbrandingsmotor te prefereren. Hybride techniek is prima, maar gekker moet het niet worden. Jaguar gokt er op dat er slechts sprake zal zijn van een tijdelijke dip in de verkopen van dure elektrische auto’s, maar zelfs als dat het geval is, maakt zij zichzelf kwetsbaar door de betreffende techniek zelf te willen ontwikkelen. De eerste specificaties van de Type 00 zijn niet bijzonder: als rij bereik het criterium is, kan je net zo goed een half zo dure DS Numéro 8 kopen. En bij klanten die wél 140.000 euro (of meer) willen uitgeven aan een elektrische auto, zal Jaguar straks Aston Martin op haar pad vinden. Die gaat elektrische aandrijflijnen inkopen bij Lucid Motors, die techniek in de aanbieding heeft waar zelfs Tesla of BYD niet aan kunnen tippen (bijvoorbeeld snel opladen met 300 kW en 883 kilometer rij bereik).

Wat Jaguar ook te denken zou moeten geven, is de huidige situatie bij Lotus. Nadat er eerder al radicale koerswijzigingen plaatsvonden in de vorm van de Elan (voorwielaandrijving) en de Elise (terugkeer naar minimalistische sportwagens zonder een kilo teveel), probeert het merk nu haar geluk met hoogwaardige sportieve modellen (Eletre, Emeya). Daarmee verbreekt Lotus feitelijk opnieuw al haar banden met het verleden. En de focus op een flink duurder elektrisch gamma doet sterk denken aan de plannen van Jaguar. Heeft Lotus hiermee een meesterzet gedaan? Daar kan je gerust twijfels over hebben. Weliswaar zijn de Eletre en Emeya in hun categorie een stuk betere producten dan de tweede garnituur sportwagen Emira, maar van een groot verkoopsucces is geen sprake. Sterker nog: Lotus zegt in de toekomst toch weer modellen met een verbrandingsmotor te zullen lanceren. Evenals een hardcore sportwagen. Vooral het feit dat Lotus bij nader inzien toch niet al haar kaarten inzet op hoogwaardige elektrische sportieve modellen zou Jaguar te denken moeten geven.

Gelukkig voor Jaguar zijn er ook verschillen. Lotus had indertijd geen lucratief zustermerk. Jaguar nu in de vorm van Land Rover wel. Dat merk brengt niet alleen veel geld in het laadje, maar heeft bewezen dat de autoconsument best zijn knip wil trekken voor dure modellen met een uitgesproken design. De nieuwe Defender is daar het beste voorbeeld van, maar ook het verkoopsucces van de jongste Range Rover (Sport) is inspirerend voor Jaguar: de welvarende consument lijkt bereid te zijn om flink te betalen voor onderscheidende ontwerpen.

Er is bij JLR dus financiële ruimte om te experimenteren met het design en de positionering van het merk met een springend roofdier als mascotte. En de vlucht naar een hoger marktsegment is begrijpelijk omdat Jaguar niet kan tippen aan de omvang die Audi, BMW en Mercedes op het internationale autotoneel hebben en dus ook niet kan profiteren van de bijbehorende schaalvoordelen. En als er dan toch op zoek gegaan moet worden naar een nieuwe klantengroep, dan kan dat het beste gedaan worden met een design dat een jong publiek aanspreekt. De Type 00 zou aan dat criterium kunnen voldoen.

Bovendien moet niet vergeten worden dat Jaguar al een keer eerder vrijwel alle schepen achter haar verbrandde toen zij in 1968 de XJ lanceerde. Dat model verving in één klap alle sedans van het merk, van redelijk compact (2.4 Litre) tot groot (420G). Jaguar kon zich zo concentreren op de bouw van de XJ en zich focussen op het voldoen aan de vraag naar dit model. In 1968 was het adagium dus: ‘Ruim baan voor de toekomst’. En nu lijkt Jaguar hetzelfde te willen zeggen. Hoezo een radicale breuk met haar verleden?
