De Europese Commissie wil auto’s die in Japan, het Verenigd Koninkrijk of Zuid-Korea zijn gemaakt ook het ‘made in EU’ label geven. In Brussel is men van plan om deze 3 landen aan te merken als ’trusted partners’.
De Europese plannen ter bescherming van de Europese maakindustrie zorgen in ieder geval, waar het de auto-industrie betreft, voor discussie. Zo is Frankrijk voor een streng protectionistische koers, terwijl Duitsland pleit voor een ruimere definitie van ‘made in EU’, omdat het anders vergeldingsmaatregelen uit China vreest. Dat Aziatische land is een enorme afzetmarkt voor de Duitse auto-industrie.
De koers die nu lijkt te zijn ingezet om in ieder geval Japan, het Verenigd Koninkrijk en Zuid-Korea aan boord te houden, heeft een simpele reden: Europa beseft dat de echte concurrentie niet meer in Londen, Tokio of Seoel zit, maar in Beijing. Dus dan kan je maar beter de krachten bundelen.
Dat het juist deze drie landen zijn die nu bij de Europese Unie worden getrokken, is dus geen toeval. Onze auto-industrie is zó verweven met Britse fabrieken, Japanse technologie en/of Zuid-Koreaanse batterijen dat een harde ‘Made in Europe’ opstelling niet meer realistisch zou zijn.
Vooral voor de relatie tussen de Europese Unie en Groot-Brittannië hebben de plannen een hoge symbolische waarde. 10 jaar na de Brexit ontstaat er toch weer een economisch blok van gelijkgestemde industrielanden. De Britten en de Europeanen hebben elkaar meer nodig dan ooit.
