PSA en Renault dreigden in Iran hard geraakt te worden

0

PSA en Renault dreigden in Iran hard geraakt te worden door de Trump sancties. Peugeot bezit aldaar bijna 30 procent van de automarkt en is momenteel druk bezig met de productiestart van de 301 (een sedan op basis van de 208). Citroën is vorige maand begonnen met de fabricage van de C3. Renault onderhandelt momenteel over een partnerschap, met als doel haar marktaandeel van ruim 5 procent te vergroten. Maar de Franse autofabrikanten zien hun investeringen bedreigd door de flipflop van de Amerikaanse politiek. Dat leidt tot consternatie want in weinig andere landen hebben PSA en Renault gezamenlijk zo’n hoog marktaandeel.

De vraag is nu welke positie Europese landen in zullen nemen: zijn zij bereid om zich van de Verenigde Staten te distantiëren en om ondersteuning van ‘hun’ bedrijven te bieden in het geval van eenzijdige financiële sancties door Washington? PSA hoopt van wel, maar kan door Trump niet echt direct geschaad worden omdat zij geen auto’s op de Noord Amerikaanse markt verkoopt. Voor Renault geldt dat ook, maar niet voor alliantiepartner Nissan waarin zij een controlerend belang heeft. Dit Japanse automerk kan hard door strafmaatregelen van de Verenigde Staten getroffen worden. Kortom, het opzeggen van de nucleaire deal met Iran zorgt voor een explosieve situatie. Dat wordt verergerd door de betrokkenheid van Teheran bij de strapatsen van de Syrische dictator Bashar Assad.

Peugeot is onbetwist nummer1 op de automarkt van Iran en heeft in de eerste 2 maanden van dit jaar aldaar 83.600 auto’s verkocht. In 2017 kwam de afzet uit op 443.000 voertuigen, niet ver onder het record uit 2010 (461.000 auto’s). PSA meende in 2012 haar vege lijf alleen te kunnen redden door General Motors als aandeelhouder aan boord te halen. Achteraf een rampzalige beslissing, want onder druk van deze kortstondige bondgenoot werd er besloten om te voldoen aan het Amerikaanse sanctiebeleid en de verkoop van auto’s helemaal te stoppen. Renault verliet Iran niet, maar heeft een veel minder sterke marktpositie: in de eerste 2 maanden van het jaar werden 19.800 auto’s verkocht en in 2017 eindigde de teller op 162.000 voertuigen.

Dat PSA een grotere taartpunt bemachtigt, is historisch bepaald. In Iran worden door nog steeds de oude 405 (in Europa gelanceerd in 1987, maar gemakkelijk te repareren en met omgerekend 8.000 euro niet duur) en ook de 206 (uit 1998) verkocht. Sindsdien hebben beide Peugeot modellen met Chinese namaak onderdelen een facelift ondergaan, maar dat heeft de bouwkwaliteit op zijn zachtst gezegd geen goed gedaan. Maar de volgende generatie auto’s komt eraan. Er is een nieuwe 50-50 joint venture opgericht tussen PSA en zijn al lang bestaande partner, het staatsbedrijf Iran Khodro. De handtekeningen werden daarvoor in januari 2016 in Parijs door de president van Iran, Hassan Rohani, gezet. Peugeot is in een voorstad van Teheran net begonnen met de productie van de 301. Inmiddels wordt ook de 2008 in Iran gebouwd, waarmee dit land alsnog het SUV tijdperk heeft betreden. Over een paar maanden volgt de 208. Het geplande volume voor de nieuwe Peugeot modellen is 200.000 exemplaren per jaar. De hiervoor benodigde investering van 400 miljoen euro is voor een groot deel al gedaan.

Maar daar blijft het bij PSA niet bij. Ook Citroën wil zich weer op de automarkt van Iran werpen. Er zijn 3 modellen gepland. De productie van de C3 begon in april via een 50-50 joint venture met de lokale Saipa Groep in een fabriek in Kashan (250 kilometer ten zuiden van Teheran). De overeenkomst met Citroën voorziet in de jaarproductie van 150.000 auto’s in 2021, waarvoor 300 miljoen euro aan investeringen gedaan worden.

Renault onderhandelt al langdurig over een deal met Iran. Deze Franse autobouwer is voornemens om op de lange termijn de Logan en de nieuwe Duster aldaar te produceren. In augustus 2017 heeft Renault hiervoor een intentieverklaring getekend met de investeringsfondsen Idro en Parto Negin Naseh. Deze 2 partners moeten elk 20 procent van het aandelenkapitaal van de joint venture voor hun rekening nemen. Renault krijgt dus de resterende 60 procent. Maar de onderhandelingen verlopen uiterst moeilijk en zijn nog steeds niet afgerond. De joint venture wil een fabriek bouwen in Saveh (120 kilometer ten zuidwesten van Teheran). Die krijgt een capaciteit 150.000 voertuigen en motoren per jaar.

Ondanks de delicate politiek-diplomatieke situatie heeft Iran belangrijke troeven. De loonkosten zijn relatief laag, namelijk 4 euro per uur in Kashan en 8 euro in Teheran. Het personeel in Iran is daarmee iets duurder dan in Marokko, maar goedkoper dan in Oost Europa. Zij hebben als voordeel dat zij buitengewoon goed zijn opgeleid omdat het niveau van het onderwijs in het land hoog is. Verder is de bevolking in hart en geest veel moderner dan de machthebbers in het land willen doen geloven. Maar het is vooral de markt die veelbelovend is, met een goede wegeninfrastructuur. De autoverkopen bereikten in 2011 een record van 1,6 miljoen exemplaren, waarna de markt terugliep tot minder dan 800.000 eenheden in 2013 na internationale sancties. Inmiddels is de afzet weer gestegen tot 1,1 miljoen auto’s in 2015 en 1,3 miljoen personenwagens het jaar daarop. In 1,5 miljoen werden in Iran 1,5 auto’s verkocht.

Iran heeft al lang een liefdesaffaire met de Franse auto. Die begon in 1968 toen Citroën aldaar de Jyane ging bouwen (onze Dyane). Er is ook een lokale versie van de Méhari ontstaan. Maar de doorbraak kwam in 1978, toen PSA de Europese activiteiten van Chrysler overnam. De Britse tak van de Amerikaanse groep richtte in de jaren zestig met Iran Khodro een cruciale productiebasis op om plaatselijk de Paykan te fabriceren, een hernoemde middelgrote sedan op basis van de Hillmann Hunter. Dit model is nog steeds alom vertegenwoordigd op de weg en is lang de nationale auto van Iran geweest. In feite is de productie pas onlangs gestopt: in 2009 werd de stekker uit de sedan getrokken, en in 2015 blies de pick-up versie zijn laatste adem uit. PSA gaf logischerwijs een vervolg aan het initiatief van de Britse tak van Chrysler. In 1991 werd samen met Iran Khodro de Peugeot 405 op de markt gebracht, die geleidelijk de Paykan in de harten van de bevolking van Iran vervingen. In 2001 arriveerde de 206. Een sedanversie daarvan werd in 2006 gelanceerd. Citroën geproduceerde samen met de Saipa Groep in de jaren na de decenniumwisseling de Xantia. Renault bouwde in Iran in de jaren zeventig en tachtig de 5-deurs versie van de ‘5’.

De automarkt van Iran heeft ook de aandacht getrokken van Volkswagen dat momenteel over lokale productie onderhandelt. Japanse merken zijn slecht vertegenwoordigd. Dat geldt ook voor hun Koreaanse collega’s, al werd er in het verleden wel een sedanversie van de Kia Rio gebouwd. General Motors en Ford laten het begrijpelijkerwijs ook afweten. Alleen goedkope Chinese modellen van middelmatige kwaliteit concurreren tegenwoordig met de modellen van Franse origine. Het valt te hopen dat het Iraanse Eldorado na de vuist op tafel van Donald Trump geen nachtmerrie wordt.

Comments are closed.