Zowel autofabrikanten die actief zijn in Europa, verenigd in ACEA, als toeleveranciers (die in de vorm van CLEPA een soortgelijke belangenclub hebben), zeggen verheugd te zijn dat het op de valreep nog tot een Brexit deal is gekomen. Beide brancheverenigingen zeggen zich nu over de details over de overeenkomst te zullen buigen. Op voorhand zegt de ACEA “dat het een grote opluchting is dat wij een grote catastrofe hebben kunnen voorkomen die zou zijn ontstaan bij een no-deal Brexit”. Dan zou de autobranche miljarden euro’s schade hebben geleden.
“Geen industrietak is zo geïntegreerd als de autobranche. Onze sector kenmerkt zich door complexe productieketens verspreid over de regio”, aldus ACEA directeur Eric-Mark Huitema. Hoewel de concrete implicaties van de deal nog onderzocht moeten worden, is voor de branchevereniging nu al duidelijk dat de deal meer ‘red tape’ en obstakels meebrengt dan er binnen de EU waren. De grensoverschrijdende handel in onderdelen zal daardoor negatief beïnvloed gaan worden. “Een personenauto bestaat uit zo’n 30.000 onderdelen en een truck kent er nog veel meer. De auto-industrie is dus gebaat bij snelle leveringen”, aldus ACEA (de afkorting van: European Automobile Manufacturers’ Association).

Er worden jaarlijks 3 miljoen auto’s verhandeld tussen het Verenigd Koninkrijk en het Europese vasteland, en voor 14 miljard euro aan onderdelen. Ook CLEPA vraagt de politiek daarom om de grenzen voor goederen zo laagdrempelig mogelijk te houden. ACEA waarschuwt er voor dat er nog grote uitdagingen gaan komen als gevolg van de nieuwe douaneformaliteiten die op 1 januari ingaan. Toch overheerst de opluchting: er komen geen heffingen en quota voor auto’s, auto-onderdelen en alles wat er verder bij de bouw van een voertuig komt kijken. Dit betekent dat de vele miljarden aan extra kosten, waar al maanden lang voor gewaarschuwd werd, zijn vermeden. “Maar alles moet nu gericht zijn op een naadloze implementatie met vanaf de eerste dag tariefvrije handel voor alles en iedereen’, aldus Huitema.
Maar Brexit blijft Brexit. Bij de in- en uitvoer van auto’s, componenten en onderdelen moet na afloop van de overgangsperiode op Oudejaarsdag aan een reeks nieuwe formaliteiten worden voldaan. Bovendien worden die formaliteiten vanaf 1 januari 00.00 uur aan de grens, zeg bij de veerboot in Calais of Rotterdam én aan de overkant, gecontroleerd door de douane, met alle risico op oponthoud en verstoring van de just-in-time productie van dien. Verder is aan een belangrijke wens van de Britse autofabrikanten niet voldaan: de Europese Unie houdt vast aan de regel dat een in Groot-Brittannië gebouwde auto voor minstens 60 procent in waarde uit Britse of in de EU gefabriceerde onderdelen moet bestaan. Een Nissan in Sunderland bouwen met een platform en motor uit Japan betekent al snel dat er meer dan 40 procent buitenlandse technologie in zit. Dan moet op die auto bij uitvoer naar de EU toch 10 procent invoerheffing worden betaald en wordt hij dus in principe ook 10 procent duurder, tenzij de fabrikant het verlies voor eigen rekening neemt.
De Britten wilden graag dat onderdelen uit landen waar de Europese Unie én zijzelf toch al een handelsovereenkomst mee hebben, waaronder Japan, ook als ‘binnenlands’ meegeteld mochten worden maar dat feest gaat niet door. Toch is er ook op dit punt goed nieuws. ‘Brussel’ is er mee akkoord gegaan dat deze zogeheten ‘rules of origin’ voorlopig niet gelden voor elektrische auto’s. Dat is een belangrijke concessie gezien het feit dat de batterijen, verreweg het duurste onderdeel van een emissievrije personenwagen, op dit moment meestal uit Azië komen. Die uitzondering voor elektrische auto’s geldt voor 6 jaar. Deze periode moet de Britten voldoende tijd geven om eigen batterijfabrieken te bouwen. Inmiddels bevinden plannen voor dergelijke productiefaciliteiten zich al in een vergevorderd stadium.
