De Europese Commissie wil dat er in 2030 in onze wereldregio ten minste 30 miljoen elektrische auto’s rondrijden. “Gedurfd” noemt de koepelorganisatie van autofabrikanten ACEA die doelstelling. Dat is omdat er momenteel nog maar een fractie van de personenwagens in Europa volledig emissievrij is, namelijk 615.000 exemplaren van de 243 miljoen. Dat is slechts 0,25 procent van het totale wagenpark.
Om de Europese doelen te halen, moeten er in 10 jaar tijd bijna 50 keer zoveel elektrische auto’s de weg op gaan, aldus de directeur-generaal van ACEA, Eric-Mark Huitema. “Helaas staat deze visie ver af van de realiteit van vandaag”, zo reageert hij. Volgens de koepelorganisatie moet de EU vooral investeren in uitbreiding van oplaadinfrastructuur en publieke oplaadpunten.
Ondanks het groeiende marktaandeel van schonere auto’s en investeringen van de sector in nulemissie personenwagens, zijn volgens Huitema nu niet alle voorwaarden aanwezig om de doelstellingen te behalen. “Hoe hoger de klimaatdoelstellingen, hoe hoger de doelstellingen voor laadpunten. Helaas zien we op Europees niveau nog steeds een discrepantie tussen deze 2 aspecten”. Hij roept de Europese Commissie dan ook op om er bij de nationale overheden op aan te dringen om te investeren in oplaadmogelijkheden en alternatieve brandstoffen.
Vorige maand heeft ACEA de Europese Commissie nog gevraagd om uitstel van de nieuwe emissienormen voor volgend jaar. Die wees dat verzoek af omdat dit alleen maar zou leiden tot vertraging van de voorgenomen klimaatplannen. Die zijn inmiddels gepresenteerd in het kader van de Green Deal waarbij de Europese Unie in 2050 klimaatneutraal zou moeten zijn. In Brussel schat men dat er tegen 2030 circa 3 miljoen publieke laadpalen nodig zijn. Vorig jaar waren er in de hele Europese Unie in totaal minder dan 200.000 exemplaren, waarvan een kwart in Nederland en de rest in Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië.
Met het door de Europese Commissie gepresenteerde plan om duurzame mobiliteit te stimuleren, is ACEA het overigens volledig mee eens, zo onderschrijft Huitema, aangezien de auto-industrie naar eigen zeggen een groot deel van de ruim 60 miljard euro aan onderzoek & ontwikkelingsgelden aan verduurzaming besteedt. Maar momenteel is het volgens hem nog niet goed genoeg gesteld met de voorwaarden om de beoogde grote transitie naar elektrisch rijden te kunnen maken. Als grote pijnpunt wordt het aantal laadpunten voor personenauto’s genoemd. Om het beoogde aantal van 300 miljoen openbare locaties te halen, zal er de komende jaren 15 keer zoveel infrastructuur moet worden aangelegd. Europa moet daarom nationale overheden pushen om daar meer in te investeren, zo vindt Huitema: “De ervaring leert dat een vrijwillige aanpak niet loont. Sommige landen zijn heel actief, andere niet”. Hij wil daarom bindende regels voor lidstaten. Andere maatregelen kunnen de transitie stimuleren, zoals het duurder maken van fossiele brandstoffen en een doorlopende vernieuwing van het wagenpark.
Een ander lastig punt is volgens ACEA wat de Europeanen te besteden hebben aan hun heilige koe. Het wagenpark wordt ouder, nieuwe auto’s duurder en de markt voor gebruikte personenwagens groeit stevig. Volgens Huitema is de gemiddelde Europese vierwieler 11 jaar oud. Als gevolg van de verduurzaming worden nieuwe auto’s nog duurder. Omdat veel mensen door de corona pandemie minder geld te besteden hebben, komt de betaalbaarheid van duurzame mobiliteit in het gedrang. Immers, door de daling van het welvaartsniveau kan het langer duren voordat mensen een nieuwe auto aanschaffen.
