Voor het einde van het jaar zal China meer auto’s exporteren dan Japan. Dat verwachten onderzoekers van Moody’s. Eerder werden Duitsland en Zuid-Korea al ingehaald door China.
Chinese autoproducenten bouwen maandelijks nog maar 70.000 personenwagens minder dan hun Japanse collega’s. Vorig jaar was het verschil nog 171.000 auto’s groot. De auto-export van Japan is nog niet op het niveau van voor de coronapandemie, maar die van China dus wel. Dat komt ook doordat er zich in de afgelopen 2 jaar veel nieuwe fabrikanten hebben aangediend in het grootste land van Azië.
Met dit tempo zal China zijn buurland eind dit jaar passeren als grootste auto-exporteur ter wereld, zo verwacht Moody’s. Vorig jaar exporteerden de Chinezen 2,7 miljoen auto’s, oftewel net iets meer dan de Duitsers. In Japan ging het om 4,4 miljoen voertuigen. Maar alleen al in de eerste helft van 2023 verscheepte China 2 miljoen personenwagens.
Een van de oorzaken van het succes is de toegenomen vraag naar (deels) elektrische auto’s. Ongeveer 30 procent van de wereldwijd verkochte auto’s is (parttime) emissievrij. Voor de pandemie was het verkoopaandeel van elektrische personenwagens nog maar 5 procent. In China is de afgelopen jaren aangestuurd op het ontwikkelen van een grote vraag naar dit soort auto’s bij de eigen bevolking. Met de ‘springplank’ kan vervolgens de pijlen worden gericht op exportmarkten.
In China is de export van elektrische auto’s in de eerste helft van 2023 verdubbeld ten opzichte van een jaar eerder. Het land heeft lagere arbeidskosten en grote lithiumvoorraden. Dat maakt de productie van elektrische auto’s gemakkelijker en goedkoper dan in Japan of Zuid-Korea. Ook Europa is een relatief dure bouwlocatie voor elektrische auto’s. Specifiek voor Japan geldt dat te lang is vastgehouden aan de visie dat waterstof aandrijving de beste manier is om de klimaatproblemen te tackelen. Er werd hierdoor minder geïnvesteerd in elektrische auto’s met als gevolg dat Japan haar positie als leidende exporteur nu dreigt te verliezen.
