De Amerikaanse importheffingen op Europese auto’s zijn verlaagd van 27,5 naar 15 procent. Toch is Sigrid de Vries, directeur-generaal van de Europese autofabrikantenkoepel ACEA, niet tevreden. Zij vindt de heffing te fors: “We komen van 2,5 procent en gaan naar 15 procent. Dat is een enorm verschil”.
Toch noemt De Vries het gesloten akkoord beter dan géén deal. Begrijpelijk, want anders zouden de Amerikanen per 1 augustus een heffing van 30 procent zijn gaan hanteren. “Een escalatie zou heel zorgwekkend zijn geweest. Maar als je een stap terug doet en kijkt waar wij nu staan, dan zie je dat de wereld fundamenteel is veranderd. De kosten voor Europese fabrikanten die niet in de Verenigde Staten produceren maar daar wel hun auto’s verkopen, lopen hard op. Dat zal ook de consument gaan merken”.

De Vries twijfelt er niet aan dat Commissievoorzitter Ursula von der Leyen alles heeft gedaan wat mogelijk was. “Nu is het zaak om te kijken hoe wij verder gaan. Laten we hopen dat er stabiliteit komt”. Ook is het volgens haar te hopen dat de Amerikaanse president zich niet bedenkt. “Verder moeten er ook echt details worden uitgewerkt. Er is op hoofdlijnen een akkoord, maar de details moeten óók duidelijk worden”.
Wat er vanuit de Verenigde Staten naar Europa komt, zal waarschijnlijk onder een tarief van nul of 2,5 procent vallen. Dat is relevant, zo benadrukt De Vries, omdat er ook genoeg goederen vanuit de VS naar Europa worden geëxporteerd. “Uiteindelijk telt het totale plaatje dat hieruit voortkomt”. Maar dat de wereld is veranderd en dat de kosten fors stijgen, staat volgens haar buiten kijf. “Wat de precieze impact daarvan zal zijn, moet nog blijken”.
De verhoogde Amerikaanse importheffingen raken niet alleen Duitse autofabrikanten, zegt De Vries. “Er gaan heel veel Duitse auto’s naar de Verenigde Staten, maar die worden natuurlijk ook gemaakt met componenten uit andere delen van Europa, zoals Nederland. Het is dus niet alleen de Duitse auto-industrie die geraakt wordt, maar de hele Europese economie die met de gevolgen te maken krijgt”. Bovendien wordt ook het Zweedse Volvo hard door de Amerikaanse importheffingen geraakt, evenals het Italiaanse Alfa Romeo, Ferrari, Lamborghini en Maserati. Verder kan de Renault Groep nu haar businessplan voor een lancering van het merk Alpine in de Verenigde Staten opnieuw gaan schrijven. Hetzelfde geldt voor Cupra van de Volkswagen Groep.
Van stevige concurrentie uit de VS is voorlopig geen sprake, denkt ze. “De meeste auto’s die nu vanuit Amerika naar Europa komen, zijn eigenlijk auto’s die gefabriceerd worden door wat je Europese bedrijven zou kunnen noemen”. Het gaat bijvoorbeeld om de Ford Mustang Mach-E, of de grotere modellen van Jeep; een merk uit de Stellantis portefeuille. Ook verwacht ze niet dat die situatie snel verandert. “Het is een heel ander soort auto dat in de Verenigde Staten wordt gereden. Dus of die een grote afzetmarkt zullen vinden in Europa, dat moeten we nog maar zien”. Volgens De Vries is wat er vanuit China naar Europa komt van veel grotere invloed. “Omdat dat vooral modellen zijn waarvan wij weten dat die nu al kopers vinden in Europa”.
Europese autoproducenten hoeven volgens haar niet per se nieuwe fabrieken in de Verenigde Staten te bouwen. “Dat hebben ze (BMW, Mercedes en Volvo, red.) al gedaan. En bovendien gaan er ongeveer evenveel auto’s naar Amerika via export vanuit Europa als dat er daar gebouwd worden”. De beschuldiging van oneerlijke handelspraktijken klopt volgens haar dan ook niet. “Het plaatje dat werd voorgesteld, namelijk dat Europa alleen maar auto’s zou exporteren, was heel erg scheef”.
De heffingen gaan de Europese auto-industrie jaarlijks miljarden kosten, verwacht De Vries. “Die kosten moeten ergens betaald worden. Dat kan voor een deel door die toeleveranciers zijn, of door de autofabrikanten die dat dan verwerken, of door de consument”. Als de handelsstromen afnemen door deze beperkingen, heeft dat invloed op de hele economie. “Dan dempt dat de economische activiteit. En dan neemt ook de vraag naar transport af, en dus bijvoorbeeld ook naar vrachtwagens, terwijl die zijn vrijgesteld van de heffing, omdat je die heel slecht kunt exporteren en ze ter plekke geproduceerd moeten worden. Zo zie je dat er tal van directe maar ook indirecte effecten zijn die enorm gaan doorwerken de komende periode”.
Volgens De Vries raakt dit de kern van het probleem. “Het is behoorlijk existentieel. Daarom denk ik ook dat Europa nu misschien even kan ademhalen, maar echt moet nadenken: wat kunnen we nu zelf doen om onze concurrentiekracht te verstevigen, en om het aantrekkelijker te maken om hier producten te maken, inclusief auto’s? Dat is onwijs belangrijk”.
