Het is nog niet bekend voor welke variant van rekeningrijden er gekozen gaat worden, maar zeker is wel dat ongeveer de helft van de automobilisten in het nieuwe systeem meer gaat betalen voor het gebruik van hun voertuig. Dat blijkt uit onderzoek in opdracht van de ministeries van Financiën en Infrastructuur en Waterstaat.
Deze ministeries zijn belast met het uitvoeren van een belofte uit het regeerakkoord. Het kabinet heeft afgesproken dat het de voorbereidingen treft om te zorgen dat rekeningrijden (of Betalen naar Gebruik, afgekort BnG) in 2030 ingevoerd kan worden.
Er wordt al decennialang gesoebat over betalen voor het gebruik van de weg in plaats van het hebben van een auto. Dat laatste is nu het geval, via de motorrijtuigenbelasting (MEB). Daarbij geldt grofweg dat hoe vervuilender een auto is, hoe meer de bezitter betaalt. Om over te stappen op de nieuwe manier van autorijden belasten, moeten 2 keuzes worden gemaakt: welk bedrag er per kilometer betaald moet worden en hoe bijgehouden gaat worden hoeveel kilometer men rijdt. Over beide kwesties moet het kabinet nog een besluit gaan nemen en dat zal onder meer gebeuren op basis van het in de inleiding genoemde onderzoek. De belangrijkste uitkomst daarvan is dat automobilisten gemiddeld tussen de 7 en ruim 8 eurocent per kilometer gaan betalen vanaf 2030.
Maar daar blijft het niet bij. Om de inkomsten voor de schatkist op peil te houden, moet dat tarief in 2040 nog fors worden verhoogd. Dat geldt niet voor alle varianten van rekeningrijden die nu op tafel liggen. Dit is vooral het geval bij tarieven waarbij de overheid elektrisch rijden wil blijven stimuleren. In die variant zouden eigenaren van elektrische auto’s een korting op het kilometertarief krijgen. Omdat het kabinet nog wel net zo veel belasting wil ophalen, moeten de tarieven voor benzine- en dieselauto’s dan wel omhoog. Maar autorijden wordt ook in varianten waarbij elektrisch rijden niet wordt gesubsidieerd, duurder. Althans, voor ongeveer de helft van de autobezitters. Dat komt omdat de tarieven waarmee is gerekend, zo zijn opgebouwd dat ook kosten worden terugverdiend die de overheid moet maken om het rekeningrijden in te kunnen voeren. Daarnaast worden de huidige toltrajecten in ons land afgeschaft, omdat mensen anders 2 keer betalen voor dezelfde kilometers. Het geld dat de overheid hierdoor misloopt, moet ook worden opgehaald met rekeningrijden.
De invoering van het rekeningrijden zal vooral mensen in de portemonnee raken die veel kilometers maken. Logisch ook: het fenomeen wordt immers ingevoerd om autorijden te ontmoedigen. Vooral tweeverdieners met een hoog inkomen gaan hierdoor meer betalen, zo blijkt uit berekeningen in het onderzoek. Dat is zeker het geval als mensen hetzelfde aantal kilometers blijft rijden als ze nu doen. De enige groep die waarschijnlijk minder kwijt is aan autorijden, zijn huishoudens met een laag inkomen. Dat komt omdat zij gemiddeld al minder vaak de auto pakken, zo schrijven de onderzoekers. En als zij door de invoering van rekeningrijden nog minder gaan rijden, gaan zij er ten opzichte van andere inkomensgroepen harder op vooruit. Dat komt omdat de kosten van de auto voor hen een groter deel van het inkomen opslokken dan voor mensen met een hoger inkomen.
Hier hoort nog wel een kanttekening bij. Voor mensen met een laag inkomen is het lastiger om een elektrische auto te kopen: het type personenwagen dat waarschijnlijk ontzien gaat worden. Voor wie afhankelijk is van zijn of haar benzine- of dieselauto om naar het werk te gaan, zal de invoering van het rekeningrijden in financieel opzicht nog wel eens onaangenaam kunnen uitpakken. Dat geldt ook voor wie op vakantie gaat naar het buitenland met de auto. De kilometers die Nederlandse autobezitters in het buitenland afleggen, zijn ook gebruikt om het tarief te berekenen. En dat zijn er niet weinig: zo’n 15 procent van het totaal. Vakantiegangers die op weg naar de zon ook kilometers maken op een tolweg, betalen dus 2 keer.
De onderzoeken zijn uitgevoerd om een besluit over rekeningrijden te vergemakkelijken. Toch is de kans heel klein dat er nog voor het reces een knoop wordt doorgehakt over welk tarief het wordt. De coalitiepartijen zijn er nog niet uit en het ziet er naar uit dat het besluit over hoe het systeem er precies uit komt te zien pas na de zomer zal worden genomen. Dit laat nog een keer zien dat de vormgeving van het nieuwe systeem een hele ingewikkelde puzzel is. Want welke variant je ook kiest, veel automobilisten zullen het voelen in de portemonnee. Over de vraag waar de rekening komt te liggen, lopen de politieke opvattingen sterk uiteen. Indien de gering er voor kiest om elektrisch rijden extra te stimuleren, dan loopt de rekening voor de benzine- en dieselrijder op. Daar zal de VVD niet op zitten te wachten. Maar als je weinig of niks doet voor de e-auto, dan groeit het elektrische wagenpark minder snel dan bijvoorbeeld D66 wil. Tegelijkertijd is niets doen ook geen optie. De groei van het elektrische wagenpark slaat op termijn een gat van miljarden euro’s in de begroting dus er zal iets moeten gebeuren. Maar er zal nog wel een stevig politiek robbertje over worden gevochten voordat de knoop wordt doorgehakt hoe het systeem van betalen naar gebruik er uit komt te zien.
