Het zal nog jaren duren voordat elektrisch rijden goedkoper wordt dan rijden in een benzineauto. Auto’s op stroom zijn jaarlijks gemiddeld honderden euro’s duurder in het gebruik dan vergelijkbare modellen met een verbrandingsmotor. Dat blijkt uit nieuwe doorrekeningen die in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zijn gemaakt.
In de berekeningen wordt gekeken naar de totale kosten die er komen kijken bij autobezit: de aanschafwaarde, hoeveel je er na 4 jaar nog voor terugkrijgt, de tank- of laadkosten bij 15.000 kilometer per jaar, de verzekering en de belastingen. Onder de streep pakt dit allemaal niet zo lekker uit voor compacte elektrische auto’s (A-, B- en C-segment).

Ten dele komt dat door het kabinetsbeleid, zo blijkt uit de begeleidende Kamerbrief. Want ondanks dat elektrisch rijden gestimuleerd wordt, bijvoorbeeld via een aanschafsubsidie, wordt er ook een maatregel genomen die juist tegenovergesteld werkt. Vanaf 2025 moet men namelijk ook voor elektrische auto’s wegenbelasting (motorrijtuigenbelasting, MRB) gaan betalen. Ten opzichte van benzinemodellen pakt dat negatief uit voor op stroom rijdende alternatieven uit dezelfde klasse. Dit omdat de MRB deels gebaseerd is op het gewicht van de auto.
Elektrische auto’s zijn namelijk relatief zwaar door de batterijen die erin zitten. Dat loopt flink in de papieren. Gemiddeld moet men voor een elektrische auto daardoor straks jaarlijks 200 tot 500 euro meer wegenbelasting betalen dan voor een vergelijkbaar model dat op benzine rijdt, zo schrijft demissionair staatssecretaris Vivianne Heijnen van Infrastructuur en Waterstaat. Het ministerie ziet zelf ook dat dat de komende jaren niet echt gaat helpen bij de gewenste vergroening van het wagenpark. “Verwacht wordt dat mede hierdoor de nieuwverkoop van elektrische auto’s in 2025 en 2026 daalt ten opzichte van 2024”, aldus Heijnen.
Kleine op benzine rijdende auto’s (uit het A segment, zoals bijvoorbeeld de Fiat Panda, de Hyundai i10 en de Kia Picanto) zijn per maand 67 euro goedkoper in het gebruik dan elektrische tegenhangers (zoals de Dacia Spring, de Fiat 500e en de Renault Twingo Electric) indien alle kosten worden meegerekend. Het gaat om een verschil van 804 euro per jaar.
In het B-segment (de autoklasse van de Ford Fiesta, de Toyota Yaris Cross en de Volkswagen Polo) is het verschil nog groter. Dan zijn elektrische alternatieven (zoals de BYD Dolphin, de Opel Corsa-e en de Peugeot e-208) per maand 79 euro duurder, oftewel 948 euro per jaar.
Voor compacte middenklassers (C-segment zoals de Citroën C4, de Nissan Qashqai of de Volvo XC40) gaat het om een verschil van 42 euro per maand (504 euro per jaar). Bij de grotere (en duurdere) auto’s (D- en E-segment) valt de berekening wel gunstig uit voor elektrische personenwagens. Maar veruit de meeste particuliere autokopers hebben daar niet zo veel aan. Voor hen zijn dergelijk grote modellen eenvoudigweg te duur. 80 procent van de nieuw verkochte auto’s valt in het A, B en C-segment.
