In het lagere prijssegment zijn elektrische auto’s nog altijd duurder dan vergelijkbare modellen met een benzinemotor. Dat blijkt uit cijfers van voertuigdata bureau RDC. In de hogere segmenten is de situatie precies andersom: daar zijn elektrische modellen juist goedkoper dan vergelijkbare benzine- en dieselauto’s.
De hoge prijzen leiden ertoe dat elektrisch rijden voor lage inkomens onaantrekkelijk is, zegt Rico Luman, sectoreconoom Mobiliteit en Transport bij ING: “Benzinemodellen zijn betaalbaarder. De koper van een elektrische auto moet veel kilometers rijden om dat verschil goed te maken”.
Auto’s worden op basis van onder meer grootte, prijs en klasse ingedeeld in verschillende segmenten. In het A- en B-segment vallen compacte, doorgaans goed betaalbare modellen zoals de Toyota Aygo en de Yaris van hetzelfde merk. De elektrische exemplaren kosten echter gemiddeld ruim 3.000 euro meer dan modellen met een benzinemotor.
Voor de hogere segmenten geldt juist een omgekeerde ontwikkeling. In het C-segment, oftewel de ‘Golf-klasse’, zijn de auto’s nog even duur, maar in de segmenten daarboven zijn elektrische voertuigen duizenden euro’s goedkoper dan modellen met een benzine- of dieselmotor. In het D-segment (met o.a. de Tesla Model 3 en Model Y) gaat het om een prijsverschil van ten minste 37.000 euro. Verklaring hiervoor is de BPM, oftewel de aanschafbelasting. Op SUV’s met een verbrandingsmotor zit een relatief hoge BPM.
Volgens Luman is er overigens wel verandering op handen: “Langzaam maar zeker komen betere kleine auto’s op de markt. Dat heeft ermee te maken dat autobouwers lange tijd weinig verdienden aan dergelijke modellen. Inmiddels is dat veranderd, mede door Europees beleid dat fabrikanten beboet als zij veel relatief onzuinige auto’s in de markt te zetten.
Het kabinet wil elektrisch rijden aantrekkelijker maken voor lagere inkomens. Om die reden komt de regering Jetten naar verwachting eind dit jaar met een inruilregeling waarbij automobilisten hun oude voertuig met benzine- of dieselmotor kunnen laten slopen en met subsidie een elektrische occasion kunnen aanschaffen. Volgens Maarten van Biezen van de Vereniging Elektrische Rijders is het een stap in de goede richting: “De nieuwprijs is niet voor iedereen even relevant omdat de meeste Nederlanders een tweedehandsauto kopen. Het is daarom goed dat het kabinet de regeling juist op die groep richt”.
Uit cijfers van RDC blijkt dat kleine auto’s het sowieso zwaar hebben. Vergeleken met 10 jaar geleden is het aanbod van dergelijke modellen geleidelijk aan opgedroogd. Zo hebben de Citroën C1 en de Peugeot 108 geen opvolger gekregen. Hetzelfde geldt voor het trio Seat Mii, Skoda Citigo en Volkswagen Up. Dit heeft zijn weerslag op de tweedehandsmarkt, die sterk van de nieuwverkoop afhankelijk is. Werden er in 2017 nog respectievelijk 79.000 (A-segment) en 119.000 (B-segment) auto’s verkocht, nu zijn dat er respectievelijk 16.000 en 66.000.
