Goed nieuws voor autoliefhebbers, slecht nieuws voor milieuactivisten: een voorstel voor verzwaring van de eisen met betrekking tot de uitstoot van nieuwe personenauto’s is door de Europese ministers van Economische Zaken flink afgezwakt. Dat gebeurde tegen de zin van Nederland.
De invoerdatum voor de zogeheten Euro 7 norm gaat van 2025 naar 2030. Bovendien blijven de eisen voor de uitstoot via de uitlaat van de verbrandingsmotor gelijk. Regels voor strengere testmethoden, om te checken of auto’s wel aan de opgaven van de fabrikant voldoen, zijn terzijde geschoven. De regels voor de verontreiniging die mag vrijkomen bij het remmen en via het slijten van de banden op het wegdek en die voor de levensduur van auto’s worden wel aangescherpt, maar dus pas vanaf 2030. Dieselmotoren profiteren het meest van de aanpassing, want zij mogen nu meer NOx blijven uitstoten. Voor alle auto’s met een verbrandingsmotor geldt dat het niet langer een vereiste is dat eenmaal gebouwde exemplaren 10 jaar aan de norm blijven voldoen.
“Dit is een stap in de goede richting”, zo laat ACEA (de Europese Vereniging van Autofabrikanten) in een reactie weten. “Het standpunt van de lidstaten is een verbetering ten opzichte van het oude Euro 7 voorstel van de Europese Commissie dat volkomen disproportioneel was en hoge kosten met zich meebracht voor de industrie en klanten, en slechts beperkte voordelen voor het milieu”, aldus Sigrid de Vries, directeur-generaal van ACEA.

Milieuactivisten zullen evenwel teleurgesteld zijn. “Wegverkeer is een van de grootste veroorzakers van luchtvervuiling. Het uitstellen van maatregelen om de uitstoot te verminderen gaat dus direct ten koste van onze levenskwaliteit”. Toch is er ook voor hen winst. Met het feit dat er überhaupt regels komen op het gebied van de schadelijke stoffen die de banden en de remmen produceren, is een mondiale primeur. Het betekent dat er voor het eerst ook bij elektrische auto’s naar de ‘uitstoot’ (bijvoorbeeld fijnstof) wordt gekeken.
Het debat ging deze keer dus niet om de uitstoot van broeikasgassen die bijdragen aan klimaatverandering, maar om de uitstoot van stoffen als fijnstof en stikstofdioxide die bijdragen aan luchtverontreiniging. Volgens de Europese Commissie loopt het aantal doden door luchtverontreiniging door verkeer in de hele Europese Unie op tot 70.000 per jaar. Daarom had het dagelijks bestuur van de Europese Unie eind vorig jaar voorgesteld om de bestaande norm die al 10 jaar geldt (Euro 6) aan te scherpen.
Bij autofabrikanten bestond al langere tijd fel verzet tegen de nieuwe Euro 7 norm. De noodzakelijke aanpassingen aan de benzine- en dieselmotoren zouden nieuwe modellen tot wel 2.000 euro duurder kunnen maken voor de consument. Het produceren van betaalbare, compacte auto’s zoals de Citroën C1 en de Ford Fiesta zou voor de fabrikanten nog minder rendabel worden. Verder zouden nieuwe regels ongelegen komen omdat autofabrikanten ook al volop moeten investeren in de overstap naar elektrische modellen. Vanaf 2035 mogen er in de Europese Unie namelijk geen auto’s met benzine- en dieselmotoren meer worden verkocht.
Budget moeten vrijmaken voor aanpassing van benzine- en dieselmotoren aan de oorspronkelijke Euro 7 norm zou betekenen dat er minder geld beschikbaar is voor de transitie naar elektrisch rijden. De strengere uitstooteisen zouden dus averechts gaan werken, zo is de redenatie van autofabrikanten. Dat is een twijfelachtig argument, maar door afzwakking van de Euro 7 norm kunnen Europese autofabrikanten nu wel meer geld besteden aan de concurrentiestrijd met China dat in een ongelijk speelveld bij ons marktaandeel probeert te veroveren. En als het aan BYD ligt Westerse autofabrikanten uiteindelijk de nek om te draaien.
8 lidstaten (Frankrijk, Italië, Tsjechië, Bulgarije, Hongarije, Polen, Roemenië en Slowakije) hadden die argumenten overgenomen en al laten weten dat ze niet akkoord zouden gaan met de geplande strengere uitstootnormen. Nederland was juist vóór de aanscherping. “Wij hadden meer ambitie gewild”, aldus Micky Adriaansens, demissionair minister van Economische Zaken. Volgens haar zal de afgezwakte Euro 7 norm niet leiden tot een significante verbetering van de luchtkwaliteit in binnensteden: “Het gewijzigde Euro 7 voorstel garandeert voor de komende decennia geen lage emissies van nieuw verkochte voertuigen. Laten we niet vergeten dat onze keuzes van vandaag de toekomst van onze industrie en ons milieu bepalen”. De ‘oude’ Euro 7 norm is volgens Adriaansens bewezen effectief en zorgen in economische zin voor een gelijk speelveld voor alle aanbieders op de markt. Bovendien bevorderen ze innovatie.
Maar het Spaanse voorzitterschap van de Europese Unie “is gevoelig geweest voor de verschillende eisen en verzoeken van de lidstaten”, zegt de Spaanse minister voor industrie en handel, Héctor Gómez Hernández. “Wij denken met dit voorstel, dat brede steun heeft gekregen, een evenwicht te hebben bereikt in de investeringskosten van de fabrikanten en de milieuvoordelen”. De Italiaanse minister Adolfo Urso is erg in zijn nopjes met de aanpassing. Volgens hem is dit vooral goed nieuws voor fabrikanten die op kleine schaal auto’s produceren. Daarbij noemt hij specifiek “Ferrari, Lamborghini en Maserati; symbolen van ‘Made in Italy’ die rond de 50.000 auto’s per jaar produceren”.
De uitkomst is nog niet definitief. De lidstaten hebben nu positie gekozen. Zij gaan de komende maanden in conclaaf met de Europese Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie. Daar moet dan resulteren in de definitieve nieuwe Euro 7 norm die volgens de huidige planning op 1 juli 2025 van kracht moet worden.
