Werknemers die zakelijk kilometers maken met hun eigen auto, leggen daar flink op toe. Dat is de conclusie van de Vereniging Zakelkijk Rijders (VZR). De kilometervergoeding zou volgens deze belangenclub dit jaar minimaal 35 eurocent per kilometer moeten bedragen.
In de huidige situatie is de vergoeding echter slechts 23 cent per kilometer. Weliswaar 2 cent hoger dan in 2023, maar toch dekt dit bedrag nog steeds niet de feitelijke kosten. Zelfs op de variabele kosten moet met 23 cent worden toegelegd. “Laat staan als je ook zaken als afschrijving meerekent”, aldus VZR directeur Sander Borsten.
Omdat de ene auto qua vaste kosten (wegenbelasting, verzekering, afschrijving) en/of variabele kosten (brandstof, onderhoud, parkeergeld) nou eenmaal duurder is dan de andere, heeft de VZR een normbedrag per autotype berekend. Voor een middenklasser met een catalogusprijs tussen de 20.000 en 40.000 euro zou de kilometervergoeding 35 cent per kilometer moeten zijn. Voor kleinere modellen volstaat 26 cent, maar voor auto’s die meer dan 40.000 euro kosten, wordt gepleit voor een vergoeding van 49 cent. In deze normbedragen is ook de zogeheten beschikbaarheidsvergoeding opgenomen. Dat is het geld dat werkgevers volgens de VZR aan de eigenaar van de auto zouden moeten betalen.
In een enquête van de VZR onder haar leden geeft 87 procent van de respondenten aan dat zij van mening zijn dat zij een te lage kilometervergoeding ontvangen. Daardoor kunnen niet alle kosten worden gedekt. De VZR adviseert werknemers daarom om met hun baas om tafel te gaan zitten voor toekenning van een hogere vergoeding.
