Stellantis sluit zijn Franse motorenfabriek in Douvrin. Hier werden de problematische motoren met door olie beschadigde distributieriemen geproduceerd. Deze krachtbron worden nu vervangen door een nieuwe krachtbron.
Stellantis sluit eind oktober definitief zijn aloude motorenfabriek in Douvrin, in Noord-Frankrijk. Na meer dan 55 jaar komt er een einde aan de productie van verbrandingsmotoren op een locatie die decennialang een van de belangrijkste motorenfabrieken van Frankrijk was. Het besluit werd een jaar geleden aangekondigd en het bedrijf heeft nu 30 oktober bevestigd als de laatste productiedatum.

De fabriek werd in 1969 opgericht als een joint venture tussen Peugeot en Renault onder de naam Française de Mécanique. Sindsdien zijn er meer dan 40 miljoen motoren van de lopende band gerold. De productie omvatte onder andere de PRV V6, die gebruikt werd in de DeLorean DMC-12 uit de film Back to the Future, diverse Renault-benzinemotoren en later talloze PSA-motoren. Volvo was de grootste afnemer van het V6 blok. In de afgelopen jaren was Douvrin voornamelijk de thuisbasis van de PureTech-benzinemotoren, die gebruikt werden in tal van modellen van Peugeot, Citroën, Opel, DS en andere Stellantis-merken.
Deze PureTech-motoren kregen echter veel kritiek. De 1,2 liter driecilinder unit met zijn in olie badende distributieriem stonden vooral bekend om hun vroegtijdige slijtage en de daaruit voortvloeiende motorschade.
Stellantis werd daarom gedwongen om meerdere technische aanpassingen door te voeren, evenals uitgebreide garantie- en coulanceregelingen. De slechte reputatie van de motoren heeft het imago van de betreffende modellen onherstelbaar geschaad. Aanvankelijk was er ook sprake van een zeer slechte klantservice bij Stellantis, waardoor gedupeerde klanten onnodig nog verder op de kast werden gejaagd. Dat heeft heel wat klanten doen besluiten om nooit meer een auto te kopen bij Stellantis, ondanks dat het bedrijf nu veel energie steekt in het verleden met ruime garantieregelingen. Maar daarmee kan de reeds aangerichte schade niet worden hersteld en zijn er heel wat occasionhandelaren die modellen met een PureTech motor als inruil niet accepteren. Dat drukt natuurlijk de inruilwaarde.
De sluiting van de PureTech-fabriek valt samen met een strategische herstructurering binnen de Stellantis Groep. In de toekomst zullen de FireFly en GSE benzinemotoren, oorspronkelijk ontwikkeld door Fiat, een aanzienlijk grotere rol gaan spelen. Deze motoren worden momenteel verder ontwikkeld om te voldoen aan de Euro 7-emissienorm en zullen volgens de plannen van de Groep tot ver in de jaren 2030 geproduceerd worden. Uiteindelijk zullen ze de PureTech-motoren in alle Stellantis-modellen vervangen, variërend van Fiat en Peugeot tot Citroën en Opel.
Momenteel wordt slechts een relatief klein aantal werknemers direct getroffen door de sluiting van de fabriek. Volgens Stellantis zijn in het afgelopen jaar al 337 werknemers ondersteund door interne overplaatsingen, externe werkopdrachten of vervroegde pensioenregelingen. Er moeten nog oplossingen worden gevonden voor ongeveer 50 vaste medewerkers en een gelijk aantal uitzendkrachten. Op zijn hoogtepunt bood de fabriek werk aan maximaal 5.800 mensen, en begin jaren 2000, inclusief toeleveranciers, werkten er meer dan 6.000 mensen.
Het industrieterrein verdwijnt echter niet helemaal. Pal naast de voormalige motorenfabriek exploiteert ACC, waarin Stellantis een belang heeft, een batterijfabriek voor elektrische voertuigen. Deze fabriek was bedoeld om de structurele veranderingen in de regio te verzachten en een deel van de banen te vervangen. De opstart van de batterijproductie is echter aanzienlijk moeilijker verlopen dan gepland, waardoor tot nu toe slechts een deel van de voormalige Douvrin-medewerkers aldaar een nieuwe baan heeft gevonden.
