Vroeger was ‘alles’ zeker niet beter. Maar in het verleden, in ieder geval op de autosalon van Parijs, brak de hel los om 7.30 uur , ook al waren de zalen op dat tijdstip nog niet eens open voor journalisten. Met als gevolg lange rijen, strak geregisseerd.
Vroeger stonden talloze zwarte Phaeton limousines vooraan in hal 1 als teken dat de voltallige Volkswagen directie met hun managementteam was gekomen. In de gang, vroeg in de ochtend, ontmoette je Martin Winterkorn, voormalig CEO van het autoconcern uit Wolfsburg, die een heel persoonlijke indruk wilde op doen van wat de concurrentie van plan was.

In de wandelgangen dwaalden techneuten, ontwerpers en marketingexperts rond. Waarom? Men was er niet alleen om de nieuwste modellen te bekijken, maar ook om te netwerken. Ja, er was een tijd dat de autosalon van Parijs zó belangrijk en bekend dat op de tentoonstellingsdagen soms het openbaar vervoer ging staken om de aandacht van het publiek op de eigen zorgen te vestigen.

En vandaag? Niemand controleert mijn accreditatie als journalist als ik wat later op de ochtend na een afspraak naar de beurs kom. Ik loop door de voorheen belegerde poort, ga naar hal 1 (waar ooit het hele Volkswagen concern zijn expositieruimte had) en realiseer me: ik ben op een bouwwerf beland. Afgezien van graafmachines en kranen zie ik geen auto’s. Ik ga verder naar hal 2, waar exoten als Lotus jaren geleden grote premières vierden. Vandaag: een meer dan royale werkruimte voor de weinige verspreide journalisten die naar deze beurs zijn gekomen. Bekende gezichten in de gangen? Nee.

De Paris Motor Show was vroeger de thuisbasis van de trotse Franse merken. En ze bestaan nog steeds: in hal 4 delen de Stellantis Groep (weliswaar zonder Citroën) en het Renault concern de vierkante meters. Maar waar is het beursstand concept dat Renault designbaas Laurens van den Acker ooit ontwikkelde? Met heerlijke, ronde, grijze zitmeubelen die altijd uitnodigden om te blijven hangen en een praatje te maken met de directie? Niets van dat alles. Van den Acker sjokt wat rond en kletst verveeld met enkele gasten.

Oké, de Franse president Emmanuel Macron staat erop op de openingsdag door de beurs te lopen om een indruk te krijgen van hoe de auto-industrie ervoor staat. Hij kan niet om de stands van de Chinese en Vietnamese fabrikanten heen. VinFast belooft nieuwe fabrieken en R&D centra in Europa. BYD vertelt met modellen als de Atto 3, Tang en Han en Great Wall dochter Ora showt wat zij de komende jaren op het gebied van elektromobiliteit van plan is.

Audi, BMW en Mercedes? Niets van dat alles. Er is geen Duitse autofabrikant op de autosalon. Maar tegelijkertijd presenteerde Mercedes de nieuwe EQE SUV elders in Parijs: de autofabrikant koos voor het Rodin Museum.

Het merk, dat de afgelopen maanden een nieuwe strategie heeft omarmd waarbij het accent (nog meer) op luxe ligt, lijkt de massa te mijden en niet voor alledaags vertier te gaan. Maar naar illustere kringen die de objecten van het merk in de tuin van het museum mogen bewonderen. Ze zoeken aansluiting bij de kunstbeurs Art Basel, die ook in het weekend in metropool Seine wordt gehouden.

Met deze optredens wordt de beurs business wereldwijd tot absurditeit gereduceerd. Het imagoverlies is dramatisch en de vraag rijst nu al wat er zal worden van de IAA in München in september 2023. En of de autosalon van Genève ooit nog een comeback zal maken. Wat het antwoord ook is, beste auto-industrie, jullie zouden gezamenlijk de spotlights op het bühne moeten richten en niet zo’n ontmoedigende schaduw moeten werpen zoals de autosalon van Parijs deed. Anders lopen de jeugdige fans (zie onderstaande foto van hoe het nog niet zo lang geleden was) weg. En wie de jeugd niet heeft, die heeft geen toekomst meer …

