.
Op een Amerikaanse automarkt die net zo veel tekenen van stilstand vertoont als de Europese, verkeren 2 merken van Stellantis momenteel in grote problemen.
Chrysler en Dodge hebben hun verkoopcijfers de afgelopen jaren zien kelderen als gevolg van strategische beslissingen die soms meer dan riskant waren. Zelfs nu Carlos Tavares niet langer de CEO van Stellantis is en ondanks de hernieuwde focus van de groep op de productie van modellen met een verbrandingsmotor (met name V8’s), lijkt de schade te groot voor deze 2 merken om zich gemakkelijk te kunnen herstellen.
De ‘MAGA’ beweging (Make America Great Again) doet haar best om de Verenigde Staten weer in het centrum van het wereldtoneel te plaatsen. Maar de Amerikaanse auto-industrie heeft veel van zijn glans verloren. Het ooit zo beroemde Detroit weet nog maar zelden de voorpagina’s te halen.
Tussen de talloze merken die in de Verenigde Staten verdwijnen (en de achteruitgang van sommige overgebleven merken), is het leven zwaar voor binnenlandse fabrikanten, die al decennia lang te maken hebben met concurrentie van Japanse en Koreaanse bedrijven. Onder de overgebleven merken bevinden zich natuurlijk Chevrolet en Ford, maar ook Chrysler en Dodge, die opereren binnen de Stellantis Groep; een autofabrikant die momenteel een grote managementtransitie doormaakt. En dit alles gebeurt op een automarkt met een zwakke groei (dit jaar 2 procent, net als in Europa), waar elektrische voertuigen onder de Trump-regering, die de V8 motor nieuw leven wil inblazen, geen voet aan de grond hebben gekregen.
Vanuit dit perspectief is het enigszins begrijpelijk dat de nieuwe CEO van Stellantis, Antonio Filosa, zich vooral richt op de Amerikaanse markt, met een ambitieus plan dat in oktober werd aangekondigd. Aan onze kant van de Atlantische Oceaan wachten we nog steeds op de toekomstvisie van Stellantis voor de komende jaren, maar het is klip en klaar dat sommige merken zich in de gevarenzone bevinden.
Dalende verkoopcijfers voor Dodge en Chrysler
Een reeks twijfelachtige strategische beslissingen bij de Amerikaanse divisie van Stellantis (met uitzondering van RAM) hebben hun tol geëist van Chrysler en Dodge. De neergang werd aanvankelijk veroorzaakt door wijlen Sergio Marchionne toen hij nog aan het roer stond van Fiat Chrysler Automobiles. In 2015 overtrof de jaarlijkse verkoop van Dodge de 500.000 eenheden en die van Chrysler de 300.000. Tien jaar later is Dodge letterlijk ingestort. Hetzelfde geldt voor Chrysler, waarbij beide merken nu gemiddeld zo’n 100.000 auto’s per jaar verkopen. Dodge is in 10 jaar tijd dus 80 procent van zijn klanten kwijtgeraakt.
Met name het stopzetten van de productie van de Dodge modellen Dart en Avenger heeft ernstige gevolgen gehad voor het merk. De Charger wordt nu alleen nog in elektrische vorm aangeboden en de Hornet is simpelweg een Amerikaanse versie van de Alfa Romeo Tonale. Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan slaat dit model evenmin aan. Gelukkig blijft de Durango, nog steeds verkrijgbaar met een verbrandingsmotor, om volume te genereren in een belangrijk segment. Maar dat is niet meer genoeg.
Bij Chrysler is de situatie niet veel beter. Het modellenaanbod is aanzienlijk gekrompen en bestaat nu nog uit de Pacifica (een MPV) en de Voyager (idem). De 300C, die een enorm verkoopsucces was, is uit productie genomen. Stellantis wilde namelijk geen luxe versie van de Charger voor Chrysler ontwikkelen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Volkswagen Groep, die naast de Golf de technisch identieke, maar als premium product gepositioneerde, A3 voor Audi bouwt.
Om zijn aanwezigheid in de Verenigde Staten nieuw leven in te blazen en niet alleen afhankelijk te zijn van RAM of Jeep, begrijpt Stellantis dat het flink moet investeren. Afgelopen oktober kondigde het autoconcern een plan van 13 miljard dollar voor de Noord-Amerikaanse divisie aan, met als belangrijkste element dat V8 motoren terug op het schild worden gehesen. Het reorganisatieplan omvat ook de heropening van de fabriek in Belvidere, Illinois.
