Wie al 4 decennia of langer op deze planeet rondrijdt, herinnert zich de naam Datsun misschien nog. Onder die naam kwamen de eerste auto’s van fabrikant Nissan naar Europa. Maar Datsun kreeg in de tachtig een spuitje om plaats te maken voor het merk zoals wij dat vandaag kennen. De naam Nissan bestond (ook) al eerder, maar werd toen vooral gebruikt voor de bestelauto’s en vrachtwagens van het bedrijf.
Maar het woord ‘comeback’ bestaat niet voor niets. In 2013 begon het toch weer te kriebelen bij de Japanners en stofte Nissan de naam Datsun af. Het plan was om het label te gaan gebruiken voor goedkope auto’s in landen waar het welvaartsniveau lager is dan bij ons. Nissan had gezien hoeveel succes alliantiepartner Renault oogstte met haar budgetmerk Dacia en besloot die formule toe te passen op enkele ontluikende automarkten. Er werden goedkope Datsun modellen ontwikkeld voor India, Indonesië, Rusland en Zuid-Afrika. Zoals de Go met techniek van een oud type Micra die voor minder dan 7.000 euro in de prijslijst kwam te staan. De op de hoofdfoto getoonde Cross werd daar van afgeleid.

Maar nu verdwijnt Datsun voor een tweede keer van het toneel. Nissan moet dringend bezuinigen en daarom niet (veel) meer investeren in landen of marktregio’s waar het winst potentieel gering is. Indonesië is daar een voorbeeld van. In dit land neemt de vraag naar auto’s weliswaar gestaag toe, maar Nissan acht zich te klein om op deze markt, waar Toyota en in mindere mate Mitsubishi de dienst uit maken, een vuist te kunnen maken. Daarom werd eind 2019 de productielijn stopgezet.
Nissan ziet zich genoodzaakt om de kostenbesparing maatregelen te nemen na sterk tegenvallende resultaten. Die bezuinigingen à 2,55 miljard euro per jaar (300 miljard yen) nopen het merk ook om de Europese activiteiten op een lager pitje te zetten. Sinds het tumultueuze ontslag van topman Carlos Ghosn in 2018, verloopt het management van Nissan nogal chaotisch. Er wordt inmiddels onder leiding van een nieuwe directie gewerkt aan herstel (ook van de moeizame relatie met alliantiepartner Renault), maar dat gaat niet zonder slag of stoot.

Autointernationaal.nl berichtte eerder al dat insiders bij het Japanse merk eind deze maand (op 28 mei) de draconische besparingsmaatregelen officieel zullen aankondigen. Dan zal Nissan ook haar financiële resultaten over het boekjaar 2019/2020 (dat op 31 maart werd afgesloten) bekend maken en die zien er zeer slecht uit. Het ging voor de uitbraak van het corona virus al niet geweldig met de autofabrikant en de wereldwijde lockdown heeft het Japanse bedrijf midscheeps getroffen. Nissan denkt dat haar verkopen dit jaar met 12 procent zullen dalen. Het aandeel is sinds januari op de beurs al met meer dan 40 procent in waarde gedaald.
Nissan zal ook elders in de wereld fabrieken sluiten. In de hoek waar de klappen gaan vallen zit ook de productiefaciliteit in Barcelona, waar momenteel pick-ups en bestelbusjes gemaakt worden. Daar liep voorheen ook de Pulsar van de band, maar die is voortijdig van de markt gehaald omdat deze middenklasser alleen te slijten viel aan verhuurbedrijven. Daardoor blijft nu een groot deel van de productie capaciteit onbenut, hetgeen voor rode cijfers zorgt. Om het bloeden te stoppen, wil Nissan het aantal fabrieken terugbrengen tot 13. De productie capaciteit wordt ingekrompen van 7,2 auto’s per jaar naar 5,4 miljoen stuks. Die zou dan over 3 jaar voor 80 procent benut moeten worden (momenteel is de ‘bezettingsgraad’ 65 procent).

Nissan wil zich (meer) gaan concentreren op Noord Amerika, China en de Japanse thuismarkt. Daar is relatief veel klandizie voor de duurdere modellen van de autofabrikant (die op exportmarkten deels door dochtermerk Infiniti worden verkocht). In Europa beëindigt Nissan niet al haar activiteiten, maar het bedrijf gaat bij ons wel een toontje lager zingen. De bedoeling is om met deze reorganisatie de boel weer op de rails te krijgen en binnen 3 jaar weer 11,5 biljoen yen (100 miljard euro) aan inkomsten te genereren. Op die manier kan Nissan na de pandemie weer een gezond bedrijf worden.
