Duitsland, het land van Carl Benz en zodoende de uitvinder van de auto, heeft het moeilijk. Dat is deels te wijten aan een modellenpolitiek dat heeft geleid tot auto’s die nu veel te duur zijn voor de doorsnee Europeaan. Sinds 2019 worden er in de EU jaarlijks zo’n 3 miljoen minder auto’s verkocht dan in de pre-corona periode.
De gevolgen zijn dramatisch, zoals Dacia-CEO Katrin Adt onlangs illustreerde in een interview: “Omgerekend zijn 3 miljoen auto’s het equivalent van 10 fabrieken, 12 miljoen banden, misschien wel 15 miljoen stoelen en 9 miljoen ruitenwissers”. Een dergelijke verkoopdaling heeft zich in geen enkele andere wereldregio voorgedaan dus waarom dan wel in Europa? Als je op zoek gaat naar de reden waarom auto’s zo duur zijn geworden, kom je al snel uit bij de belangrijkste oorzaak: regelgeving.
Adt heeft gelijk. Dacia opereert in een segment waar mensen zorgvuldig elk dubbeltje omdraaien. In 2014 was de Sandero slechts half zo duur als nu. De verdubbeling van de prijs kan niet worden verklaard door de algemene prijsstijging, want die bedroeg in dezelfde periode ongeveer een derde. Bij Dacia wordt 25 procent van het ontwikkelingsbudget uitsluitend besteed aan het voldoen aan EU-regelgeving.
De CEO van de Renault Groep, François Provost, bekritiseert ook een “tsunami aan regelgeving” die auto’s voor veel consumenten onbetaalbaar maakt. Hij stelt dat de gemiddelde leeftijd van auto’s toeneemt, wat de inspanningen voor de lancering van emissiearme modellen heeft vertraagd. Dit is een punt dat al lange tijd een doorn in het oog is van topmanagers in de auto-industrie, zoals Volkswagen topman Oliver Blume en de CEO van Mercedes, Ola Källenius. Die schreef vorig jaar een open brief aan de EU waarin hij een fundamentele koerswijziging eiste in het huidige industrie- en klimaatbeleid. De reactie was een fragmentarische, langdurige discussie die tot op heden niets heeft veranderd. Er werd beloofd dat het verkoopverbod voor auto’s met een verbrandingsmotor per 1 januari 2035 zou worden ingetrokken, maar dat is nog steeds niet gerealiseerd.
De 3 automobiel deelstaten Baden-Württemberg, Beieren en Nedersaksen eisen concrete maatregelen van de Duitse federale overheid en de EU om de concurrentiepositie van hun autoproductielocaties te waarborgen. Ze pleiten terecht voor een “gematigd industriebeleid” en “meer flexibiliteit” bij de CO2-emissiegrenzen voor het gehele wagenpark.
Cem Özdemir, minister-president van Baden-Württemberg, verklaarde: “We hebben minder bureaucratie en meer investeringen in accu’s, halfgeleiders en onze eigen sleuteltechnologieën nodig. De EU moet onze industrie nog effectiever beschermen tegen oneerlijke concurrentie. We willen niet alleen autorijden, we willen de auto’s hier in Duitsland bouwen”. Een opmerkelijke uitspraak voor een politicus van de Groene Partij.
Gezien het steeds toenemende banenverlies is het een politieke plicht om regelgeving ter discussie te stellen. In China zou dit in een snel tempo kunnen gebeuren, maar niet in Europa. Hoe prijzenswaardig deze initiatieven ook zijn, we belemmeren onszelf momenteel enorm, zelfs in deze crisis. Geen wonder dat mensen zo diep teleurgesteld zijn in de politiek.
