G7 landen draaien verbrandingsmotor de nek om

0

Een volledige afschaffing van verbrandingsmotoren bepleiten ze nog net niet, maar de G7 landen willen tegen 2030 de verkoop van auto’s met een verbrandingsmotor sterk gereduceerd hebben.

Dat hebben de leiders van de 7 rijkste industrielanden van de wereld (Canada, Duitsland, Frankrijk, Italië, Japan, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten) afgesproken. De doelstelling maakt onderdeel uit van afspraken over de wederopbouw van de wereld na Covid-19. Op de G7-top in het Britse Cornwall was de levensverwachting van de verbrandingsmotor in personenwagens een van de ‘hot topics’.

Boris Johnson, de premier van gastland Verenigd Koninkrijk, is in de strijd tegen de klimaatverandering een gemotiveerde voorstander van een verkoopstop op auto’s met een verbrandingsmotor. En waarom ook niet? Zijn land heeft amper wat te verliezen bij een dergelijk verbod. Ja, ook merken als Bentley, Jaguar, Land Rover, Lotus, Mini en Vauxhall zullen daardoor getroffen worden, maar de rekening van de maatregel gaat naar het buitenland. Duitsland is om deze reden veel minder enthousiast over een verkoopverbod, maar kan wel akkoord gaan met de volgende tekst: “de leden van de G7 streven ernaar dat de meerderheid van nieuwe personenwagens geen benzine- of dieselmotor meer heeft tegen 2030 of eerder”.

Johnson had niet alleen de steun van Canada (dat afgezien van een handvol fabrieken van buitenlandse bedrijven niet over een eigen auto-industrie beschikt), maar ook van Japan. Dit land wil nieuwe personenwagens niet langer met een verbrandingsmotor uitrusten, maar bij voorkeur met een brandstofcel. Daarmee wil een Japan een concurrentieel voordeel opbouwen. Met batterij elektrische auto’s loopt het land vooral achter de feiten aan. Maar de andere G7 landen lijken wat meer te aarzelen. Dat verklaart waarom de tekst spreekt van een “streven naar” CO2 vrij voertuigen dan van een absolute nul uitstoot van het wagenpark. Toch hebben ook Ursula von der Leyen, voorzitster van de Europese Commissie, en de Amerikaanse president Joe Biden, al vaker te kennen gegeven sterke ambities te hebben om klimaatverandering tegen te gaan.

De leiders van de G7 willen het accent bij de autoverkoop tegen 2030 dus verschoven hebben van verbrandingsmotoren naar ‘groene’ aandrijftechniek. Er worden verschillende maatregelen overwogen om dit doel te bereiken, als onderdeel van een breder programma om de CO2 voetafdruk van landen drastisch te verkleinen in de strijd tegen klimaatverandering. De G7 is ervan overtuigd dat het afstappen van benzine- en dieselmotoren een belangrijk keerpunt zou vormen in de vermindering van het mondiale verbruik van aardolieproducten en van de uitstoot van broeikasgassen. De meest logische oplossing in hun ogen is een massale overschakeling op elektrische mobiliteit, zonder te specificeren of het daarbij gaat om batterij- of waterstofauto’s.

De ambitie is om in 2030 meer dan de helft van de nieuw verkochte nieuwe personenwagens uitstoot vrij te laten zijn, al is dit een relatief begrip in het geval van batterij modellen, wetende dat de productie van elektriciteit op dit moment verre van ‘groen’ is. Toch zijn de leden van de G7, waaronder de Verenigde Staten, voorstander van een dergelijke transitie. President Joe Biden is er vast van overtuigd dat massaal investeren in elektrische mobiliteit en in de toeleveringsketen (lees: laadpalen) de beste oplossing is in de strijd tegen de klimaatverandering en veel banen zal opleveren. Er is echter geen bevestiging dat het Witte Huis het eens is met de timing van het voorstel. De Amerikaanse automarkt wordt momenteel gedomineerd door grote, zware, fossiele brandstof slurpende auto’s (SUV modellen en pick-ups). Een snelle overgang naar voertuigen met batterij aandrijving vergt een aanzienlijke verhoging van de elektriciteitsproductie en op dat gebied is de Verenigde Staten verre van duurzaam.

Toch hebben de grote Amerikaanse autoconcerns, General Motors en Ford, hun steun gegeven aan de doelstelling om de verbrandingsmotor in de ban te doen, al hanteren zij hiervoor verschillende tijdschema’s. Ford wil tegen 2030 minimaal 40 procent elektrische auto’s verkopen, terwijl General Motors streeft naar een 100 procent ‘zero-emission’ aanbod van wat betreft haar personenwagens tegen 2035. In Europa en Azië hebben verschillende fabrikanten al aangekondigd dat ze tegen 2025 (Jaguar bijvoorbeeld) of 2030 (Volvo) een volledig elektrisch gamma willen hebben. Toch doet een meerderheid van de branchegenoten dat niet, ook al zet de Europese Unie de autosector onder druk met strakke termijnen voor wat betreft het terugdringen van de CO2 uitstoot.

De doelstelling van de leden van de G7 is een positieve eerste indicator, maar die zal nu moeten worden omgezet in concrete maatregelen voor het einde van het decennium die op zijn minst in hoofdlijnen gemeenschappelijk moeten zijn voor de verschillende landen. Om de neuzen dezelfde kant op te krijgen, is op Europees niveau al een hele kluif, dus op mondiaal niveau ligt er een enorme uitdaging om een versnelde overgang naar ‘schone’ mobiliteit mogelijk te maken. Met name aan China zal gevraagd worden om zich te conformeren aan de afspraken, maar aangezien dit land geen democratisch systeem heeft, maar een dictatuur is, valt daar niks zinnigs over te zeggen.

Indien de regeringen niet zorgen voor een voldoende uitgebreide, efficiënte en betaalbare laadinfrastructuur enerzijds en anderzijds de capaciteit van de elektriciteit productie niet uitbreiden (met kernenergie?), dan zal de geformuleerde doelstelling niet meer dan een intentieverklaring blijven. Daar komt bij dat de autofabrikanten uit de G7 landen dergelijke globale inspanning alleen van lange termijn steun kunnen voorzien als zij niet  het risico te lopen veel geld te verliezen met de transitie naar elektrificatie van het personenwagen aanbod (met als gevolg een aanzienlijk banenverlies). Een gelijk speelveld met vooral China is hiervoor essentieel.

Volgens prognoses zal de verkoop van elektrische auto’s in 2030 zelfs zonder verdere stimuleringsmaatregelen van overheden ruim een derde (34 procent) van het wereldtotaal uitmaken en in 2040 zelfs meer dan twee derde (68 procent). Maar wat zijn dan de milieukosten van de batterijproductie? Welke stappen worden er gezet op het gebied van optimalisering van recycling en hergebruik van accu’s? Zal de wereldburger het openbaar vervoer accepteren als acceptabel alternatief voor individuele gemotoriseerde mobiliteit als het pandemie spook nog steeds rondwaart? En waar gaan al die elektromotoren, batterijen en brandstofcellen voor waterstofauto´s gebouwd worden? In de G7 landen of vooral in China en andere Aziatische landen? Er is nog een lange weg te gaan, ook omdat de inwoners van democratische landen de neiging te hebben om hun kont tegen de krib te gooien bij bekendmaking van plannen voor windmolens nabij hun achtertuin ….

 

Reageren is niet mogelijk.