De Duitse regering wil het verbod van de Europese Unie op nieuwe personenwagens met een benzine- of dieselmotor, dat vanaf 2-35 zou moeten in gaan, versoepelen. Dat melden ingewijden aan persbureau dpa.
Volgens de Duitse regeringscoalitie moet de verkoop van auto’s met een “hoog efficiënte verbrandingsmotor” ook na die datum mogelijk blijven. Bondskanselier Friedrich Merz (hier op de foto samen met BMW topman Oliver Zipse) zal dat standpunt in een brief aan Ursula von der Leyen, de voorzitter van de Europese Commissie, toelichten.

De Europese Unie besliste in 2022 dat nieuwe auto’s vanaf 2035 geen CO2 meer mogen uitstoten. Dat doel werd toen direct door de zich stoer opstellende autofabrikanten in Europa omarmd. Maar nu het puntje bij het paaltje begint te komen, en dat de transitie naar elektrische mobiliteit een stuk moeizamer verloopt dan verwacht, komt er kritiek van met name Duitse autofabrikanten. Die heeft inmiddels niet alleen de steun van de eigen regering, maar ook die van enkele andere lidstaten in midden- en oost Europa.
De Europese Commissie herbekijkt de maatregel en komt op 10 december met een nieuw voorstel. Dat juist de Duitse auto-industrie nu ageert tegen de maatregel, komt doordat Porsche en Mercedes medio 2022 te veel hebben ingezet op een geëlektrificeerd modellengamma. Daarvoor moeten zij nu op de blaren zitten. BMW heeft zijn eieren beter over diverse aandrijfvorm-mandjes verspreid, maar heeft de verbrandingsmotor nodig om de nog te introduceren Range Extender modellen na 2035 in Europa verkoopbaar te houden.
Voor Stellantis en de Renault Groep speelt het probleem van tegenvallende verkopen van elektrische auto’s minder. Zij willen graag van de Europese Commissie gedaan krijgt dat die de rode loper gaat uitrollen voor een eigen interpretatie van de Japanse kei-car: de missing link tussen de Citroën Ami en de Citroën ë-C3 zeg maar. Daar valt alleen een businesscase voor te maken als juist geen rekening gehouden hoeft te worden met een benzine-variant.
