Stellantis overweegt om de technologie van joint venture partner Leapmotor te gebruiken voor zijn Europese merken. Doel is om zo de ontwikkelingskosten te verlagen en de transitie naar elektrische voertuigen te versnellen. Indien dit plan omgezet wordt in realiteit, dan is er sprake van een strategische verschuiving die ongekend is voor Europa.
Volgens gelekte informatie van Bloomberg zou Stellantis, een automobielconcern met 14 merken, bereid zijn om Leapmotor technologie (software, accu’s en aandrijflijnen) te integreren in zijn Europese hoofdmerken (Citroën, Fiat, Opel, Peugeot). Dit moet de ontwikkelingskosten voor elektrische voertuigen verlagen en een inhaalslag mogelijk maken op het gebied van software, om zo beter te kunnen concurreren met Chinese fabrikanten zoals BYD en MG.

Tot nu toe beperkt de samenwerking tussen Stellantis en Leapmotor zich tot een begrensde joint venture voor de assemblage van modellen van de Chinese autofabrikant in Europese fabrieken van het Frans-Italiaanse concern, met name in Tychy (Polen) en Zaragoza (Spanje). Stellantis heeft momenteel formeel geen toegang tot de technologie van Leapmotor.
Het idee om gebruik te maken van de Chinese ‘onderdelenbank’ om het aanbod elektrische voertuigen van de Europese merken uit te breiden, is echter niet geheel nieuw. Al in het najaar van 2025 besprak Stellantis de mogelijkheid om de Leapmotor B10 (foto) in het Opel-gamma te integreren door middel van een simpele rebadging. Vandaag wil de groep deze strategie uitbreiden naar al haar belangrijkste Europese merken.
Deze verschuiving komt op een moment dat de gigant, ontstaan uit de fusie van Peugeot SA en Fiat Chrysler Automobiles, in moeilijkheden verkeert. Na verlies van marktaandeel en enorme afschrijvingen op activa (22,3 miljard euro) is Stellantis op zoek naar een ‘reset’. Het benutten van de technologische (software gestuurde voertuigen) en technische (LFP batterijen, motoren) voorsprong die Leapmotor heeft verworven, zou hierbij kunnen helpen. Dit zou Stellantis in staat stellen de time-to-market voor toekomstige modellen te halveren en de ontwikkelingskosten te verlagen.
Hoewel Volkswagen en Renault al soortgelijke partnerschappen in China hebben gesloten (respectievelijk met Xpeng en via lokale R&D-centra), is het project van Stellantis van een compleet andere schaal. Het zou de eerste keer zijn dat een grote westerse autofabrikant vertrouwt op de architectuur en software van een Chinese fabrikant om zijn eigen modellen in Europa naar een hoger plan te tillen. Deze keuze baart zorgen bij waarnemers, met name over de technologische afhankelijkheid van de Europese industrie van Peking.
Nu de Verenigde Staten vanaf 2027 de verkoop van met internet verbonden voertuigen (‘connected vehicles’) met Chinese technologie verbiedt, wordt Europa steeds alerter qua bescherming van data in software van Chinese oorsprong. Voor een wereldwijd concern als Stellantis, dat sterk afhankelijk is van de Noord-Amerikaanse markt, zal het handhaven van technologische scheiding tussen de Europese en Amerikaanse vestigingen een enorme industriële uitdaging worden.
In deze context rijst de vraag of de centrale rol van de R&D-infrastructuur in Frankrijk, waarop Stellantis vertrouwt voor de ontwikkeling van haar Europese strategie, ter discussie zal komen te staan. Als het ‘brein’ (software), het ‘hart’ (accu) en de ‘spieren’ (motor) van toekomstige kleine Peugeot, Opel of Fiat modellen Chinees worden, wat gebeurt er dan met de Franse onderzoeks-, ontwikkelings- en productielocaties?
Volgens Bloomberg bevinden de besprekingen zich nog in een voorbereidend stadium. Alles zal in mei geformaliseerd kunnen worden tijdens de zogeheten Capital Markets Day, wanneer de CEO van Stellantis, Antonio Filosa, zijn routekaart aan investeerders zal presenteren.
